Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2006:AY3647

Raad van State

Datum uitspraak
3 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200603548/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • M.A.G. Stolker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8.19 Wet milieubeheerArt. 5:32 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens overtreding Wet milieubeheer

Verzoekster kreeg bij besluit van 30 maart 2006 een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 19 juni 2006 werd het verzoek behandeld. Verzoekster stelde dat haar inrichting niet langer vergunningplichtig was en dat de overtreding gelegaliseerd kon worden door een melding of dat de vergunningplicht binnenkort zou vervallen. De Voorzitter was echter onvoldoende overtuigd dat de vergunningplicht was vervallen en oordeelde dat deze feitelijke vraag beter bij de bezwaarprocedure kon worden beoordeeld.

De last onder dwangsom verplichtte verzoekster binnen zeven maanden een toereikende milieuvergunning te verkrijgen, maar het indienen van een aanvraag beëindigt de overtreding niet en verzoekster had geen invloed op de termijn waarbinnen de vergunning wordt verleend. Daarom was de last niet verenigbaar met artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Voorzitter besloot daarom het besluit tot last onder dwangsom bij voorlopige voorziening te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, met mogelijkheid tot verlenging. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan verzoekster.

Uitkomst: Het besluit tot last onder dwangsom is geschorst en het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

200603548/1.
Datum uitspraak: 3 juli 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 10 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 juni 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. R.J.C. Braams, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Vos-Koster en D. Engel, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Verzoekster stelt dat haar inrichting niet langer vergunningplichtig is, maar valt onder het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen, aangezien de hoofdactiviteit "het wassen van motorvoertuigen" is. Volgens haar zal de vergunningplicht in ieder geval op 1 januari 2007 worden opgeheven door het Besluit algemene regels milieubeheer. Indien tot die tijd al moet worden uitgegaan van een vergunningplicht, dan kan het gedeeltelijk beëindigen van het "afleveren van motorbrandstoffen" volgens haar gelegaliseerd worden door middel van een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer.
Voorts voert zij met betrekking tot de begunstigingstermijn aan dat zij geen invloed heeft op de termijn waarbinnen, na indiening van de in de last impliciet gevorderde aanvraag voor een revisievergunning, een nieuwe milieuvergunning van kracht is.
2.2.    De Voorzitter is er op voorhand onvoldoende van overtuigd dat de vergunningplicht van de inrichting is vervallen. Deze vraag van feitelijke aard leent zich beter voor beoordeling in het kader van de beslissing op bezwaar. Over de opgelegde last onder dwangsom overweegt de Voorzitter als volgt.
2.3.    De opgelegde last luidt: "U dient de overtreding van artikel 8.1 lid b/c Wetmilieubeheer te beëindigen door er zorg voor te dragen dat voor uw veranderde inrichting binnen de hierna te noemen begunstigingstermijn in het bezit bent van een toereikende milieuvergunning".
2.4.    Het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient te zijn gericht op het beëindigen dan wel het voorkomen van herhaling van een overtreding door de overtreder. Hier is de last opgelegd wegens het uitvoeren van activiteiten zonder vergunning als vereist in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer.
De opgelegde last laat verzoekster geen andere mogelijkheid om de overtreding te beëindigen dan door er zorg voor te dragen dat zij voor haar veranderde inrichting binnen zeven maanden na het inwerkingtreden van het dwangsombesluit in het bezit is van een toereikende milieuvergunning. Door het indienen van een aanvraag, zoals van verzoekster wordt verlangd, wordt die overtreding echter nog niet opgeheven. Bovendien heeft verzoekster het niet in haar macht dat zij binnen de begunstigingstermijn in het bezit is van de aangevraagde vergunning. Deze last verdraagt zich dan ook niet met het bepaalde in artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Voorzitter ziet reeds hierom aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.5.    Het verzoek komt voor toewijzing in aanmerking.
2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen van 30 maart 2006, kenmerk 3306\A_P26495/968, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente De Ronde Venen aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III.    gelast dat de gemeente De Ronde Venen aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen    w.g. Stolker
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2006
157-456.