ECLI:NL:RVS:2006:AY1575
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid ministerieel besluit beëindiging categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak
De zaak betreft het besluit van de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie van 17 maart 2006 om het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak te beëindigen. De vreemdeling had tegen dit besluit beroep ingesteld bij de voorzieningenrechter, die het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Zowel de vreemdeling als de minister stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk is omdat hij door het instellen van hoger beroep niet in een gunstiger positie kan komen. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard omdat de voorzieningenrechter onjuiste motiveringseisen had gesteld aan het besluit van de minister.
De minister had zijn besluit gebaseerd op een ambtsbericht over de situatie in Irak, het beleid van andere EU-landen en de instemming van de Tweede Kamer. De Raad bevestigde dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft bij het bepalen van het beschermingsbeleid en dat het beleid van andere EU-landen een legitieme indicator is. De Raad vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard, het hoger beroep van de minister gegrond, en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.