ECLI:NL:RVS:2006:AX9569
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende duurzame middelen van bestaan voor verblijfsvergunning vreemdeling
De minister heeft de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen omdat de referent niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat tijdelijke, aaneensluitende flexibele arbeidscontracten niet automatisch betekenen dat de middelen duurzaam beschikbaar zijn voor ten minste een jaar. De door de rechtbank genoemde arbeidsovereenkomsten sloten bovendien niet zonder onderbreking op elkaar aan. De grief van de minister slaagt, en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.
Verder faalt het betoog van de vreemdeling dat de minister het vertrouwensbeginsel en artikel 8 EVRM Pro heeft miskend. Het feit dat de vreemdeling Nederland met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf is binnengekomen, verhindert niet dat de minister de belangenafweging negatief kan maken. Ook is niet gebleken van objectieve belemmeringen voor het gezinsleven in het land van herkomst. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.