AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake bouwvergunning garage in agrarisch gebied
Het college van burgemeester en wethouders van Weert verleende per 1 november 2003 van rechtswege een bouwvergunning aan een vergunninghouder voor wijzigingen aan een garage op een perceel in Weert. Appellante maakte bezwaar tegen deze vergunning, waarop het college gedeeltelijk het bezwaar gegrond verklaarde, de vergunning herroepen en alsnog een vergunning verleende onder de voorwaarde dat de bestaande garage binnen twee weken na onherroepelijkheid van de vergunning gesloopt zou worden.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Zij voerde aan dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan omdat het gedeeltelijk op een perceel was voorzien waar het oprichten van een burgerwoning met bijgebouwen niet was toegestaan.
De Raad van State oordeelde dat het bestemmingsplan de bouw van een burgerwoning met bijgebouwen niet koppelt aan een kadastraal perceel, maar aan de aanduiding 'burgerwoning' op de plankaart. Het bouwplan voorziet in een vrijstaande garage bij een toegestane burgerwoning, waardoor het niet in strijd is met het bestemmingsplan. Verder werd het betoog over de sloopvergunning en de herplantplicht verworpen omdat deze niet eerder waren aangevoerd of niet van toepassing waren.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200507233/1.
Datum uitspraak: 21 juni 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Weert, waarvan de maten zijn [maten 1 en 2], beiden wonend te Weert,
tegen de uitspraak in zaak no. 04/1491 van de rechtbank Roermond van 5 juli 2005 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Weert.
1. Procesverloop
Bij brief van 15 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) aan appellante medegedeeld dat aan [vergunninghouder] per 1 november 2003 van rechtswege bouwvergunning is verleend voor de wijzigingen die ten opzichte van de aan deze verleende bouwvergunning van 18 maart 2002 aan de garage op het perceel [locatie] te Weert zijn aangebracht.
Bij besluit van 2 november 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond, de bouwvergunning herroepen en alsnog bouwvergunning verleend voor de wijziging van de garage onder het voorschrift dat de garage/bergingen, waarvoor op 18 maart 2002 sloopvergunning is verleend, binnen twee weken nadat de bouwvergunning onherroepelijk is geworden, worden gesloopt.
Bij uitspraak van 5 juli 2005, verzonden op 8 juli 2005, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 27 oktober 2005 heeft [vergunninghouder], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.
Bij brief van 8 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van der Hoff, advocaat te Veldhoven, en [maat 2], en het college, vertegenwoordigd door G.J.F.M. Vosdellen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geschil is dat het bouwplan voor het grootste deel is voorzien op het kadastrale perceel […], waarop de burgerwoning [locatie] is gelegen. Dit perceel heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan art. 30 WROPro buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch gebied" met op plankaart 1:bestemmingen de nadere aanduiding "burgerwoning". Voor het overige is het bouwplan voorzien op het naastgelegen kadastrale perceel […] dat de bestemming "Agrarisch gebied" met de nadere aanduiding "kernrandgebied" heeft.
2.2. Ingevolge artikel 4.1.2., aanhef en onder b, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften is in de binnen de bestemming "Agrarisch gebied" weergegeven landschappelijke differentiatie "kernrandgebied", voor zover thans van belang, uitsluitend een geringe toename van bebouwing aansluitend aan de bestaande bouwmassa’s toegestaan.
Ingevolge artikel 4.2.1., voor zover thans van belang, zijn op de tot "Agrarisch gebied" bestemde gronden uitsluitend toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van doeleinden omschreven in 4.1.
Ingevolge artikel 4.2.2., aanhef en onder b, voor zover thans van belang, is op of nabij de aanduiding "burgerwoning" op kaart 1:bestemmingen maximaal één burgerwoning toegestaan en bedraagt de totale oppervlakte van de bij de burgerwoning behorende vrijstaande bijgebouwen maximaal 70 m2.
2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen bouwvergunning mocht verlenen, omdat het bouwplan gedeeltelijk is voorzien op een perceel, waarop oprichten van een burgerwoning met bijgebouwen ingevolge het bestemmingsplan niet is toegestaan.
2.3.1. Dit betoog faalt. Het bestemmingsplan koppelt de mogelijkheid van het oprichten van een burgerwoning met daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen niet aan een kadastraal perceel, maar staat dat toe op of nabij de aanduiding "burgerwoning" op de plankaart.
In dit geval voorziet het bouwplan in het oprichten van een vrijstaande garage bij een burgerwoning die ter plaatse volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Dat de garage tevens gedeeltelijk op een perceel met de nadere aanduiding "kernrandgebied" is voorzien, maakt het bouwplan niet in strijd met het bestemmingsplan.
2.3.2. Dat een sloopvergunning niet als voorwaarde aan een bouwvergunning kan worden verbonden heeft appellante voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat dit niet eerder kon gebeuren. Onder die omstandigheid kan het betoog niet leiden tot het ermee beoogde doel, vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.4. Dat laatste geldt ook voor hetgeen appellante aanvoert ten aanzien van de herplantplicht. Aan de verleende bouwvergunning is geen herplantplicht, als waar appellante op doelt, verbonden.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.