Uitspraak
200301000/1en naar een uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 13 maart 2006 in zaak no. 200600905/2 (www.raadvanstate.nl).
200201903/1volgt dat bij het beantwoorden van de vraag of de inrichting in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwproducten op of in de open grond, een aanwijzing kan zijn of de nevenactiviteiten, zoals activiteiten met spoelgrond, een zodanige omvang hebben, dat deze, als afzonderlijke activiteiten beschouwd, zouden hebben te gelden als inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer.