Uitspraak
200402102/1brengt een redelijke wetsuitleg van artikel 13.7 van de Wet milieubeheer mee dat de aanvraag ook dient te worden aangehouden in geval het een zogeheten grote lawaaimaker betreft die is voorzien op een terrein waaraan niet een bestemming is gegeven die de mogelijkheid van vestiging van een dergelijke inrichting insluit en waaromheen dientengevolge geen geluidzone is vastgesteld. Daarbij heeft de Afdeling voorts overwogen dat het stelsel van de Wet geluidhinder en de daarin in artikel 41 opgenomen Pro verplichting inhoudt dat inrichtingen die behoren tot de in artikel 2.4 van het Ivb genoemde categorieën slechts gevestigd kunnen worden op industrieterreinen met een daartoe passende bestemming en die met het oog daarop volgens de regels van de Wet geluidhinder zijn gezoneerd. Bij het verlenen van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor deze inrichtingen dient de op de zonegrens geldende geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van 50 dB(A) in acht te worden genomen.