Het college van burgemeester en wethouders van Heumen verleende op 27 juli 2002 een bouwvergunning onder voorwaarden voor de herbouw van een schuur aan een wederpartij. Tegen een besluit van het college van 17 juni 2004, waarin een bezwaar van de wederpartij niet-ontvankelijk werd verklaard, werd beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en vernietigde het besluit van 17 juni 2004, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven.
Het college stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de zitting op 11 april 2006 werd vastgesteld dat het hoger beroep uitsluitend was ingesteld vanwege de veroordeling in proceskosten door de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat dit geen voldoende procesbelang oplevert voor hoger beroep en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die bij de wederpartij waren ontstaan door de behandeling van het hoger beroep, een bedrag van €644,00, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. De uitspraak werd op 17 mei 2006 in het openbaar uitgesproken.