Uitspraak
200305174/1, kan, anders dan appellant betoogt, niet een ander oordeel worden afgeleid.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Heumen weigerde op 2 maart 2004 een bouwvergunning voor het veranderen van een berging in woonruimte op een perceel met agrarische bestemming. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de advisering door de Adviescommissie bezwaarschriften correct was verlopen conform artikel 7:13 van Pro de Awb en dat de hoorplicht niet was geschonden. Het bouwplan voorzag in het realiseren van een tweede woning, wat in strijd is met het bestemmingsplan dat slechts één bedrijfswoning per bedrijf toestaat.
Verder kon het college terecht geen vrijstelling verlenen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, omdat het aantal woningen niet gelijk bleef en het beleid gericht is op het voorkomen van nieuwe woningen in het buitengebied. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat vergelijkbare situaties niet aanwezig waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning bevestigd.