ECLI:NL:RVS:2006:AX2063

Raad van State

Datum uitspraak
9 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200602632/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 ArbobesluitArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen hernieuwde beslissing op bezwaar bestuurlijke boete arbeidsongeval

Bij besluit van 19 augustus 2004 legde de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bestuurlijke boete op aan een onderneming vanwege een arbeidsongeval op een locatie te een plaats. Na bezwaar verklaarde de Staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zutphen vernietigde deze beslissing op bezwaar bij uitspraak van 21 februari 2006.

De Staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat een nieuwe beslissing op bezwaar zou worden genomen voordat het hoger beroep was behandeld. De Voorzitter behandelde dit verzoek op 27 april 2006.

De Voorzitter oordeelde dat de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld over de verwijtbaarheid van de onderneming niet geschikt is voor behandeling in de voorlopige voorzieningsprocedure. Het verzoek strekte ertoe te bepalen dat de Staatssecretaris geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen zolang het hoger beroep loopt.

De belangen van de onderneming bij een spoedige beslissing op bezwaar wegen niet zwaarder dan het belang van de Staatssecretaris om geen nieuwe beslissing te hoeven nemen die mogelijk afwijkt van het eerdere standpunt. Er zijn geen andere belangen gebleken die zich tegen het verzoek verzetten.

De Voorzitter besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen en bepaalde dat de Staatssecretaris geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen voordat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Voorzitter bepaalt dat de Staatssecretaris geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen voordat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

200602632/2.
Datum uitspraak: 9 mei 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak no. 05/1217 van de rechtbank Zutphen van 21 februari 2006 in het geding tussen:
[wederpartij], gevestigd te [plaats]
en
verzoeker.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft verzoeker aan [wederpartij] een bestuurlijke boete opgelegd in verband met een arbeidsongeval op de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 14 juli 2005 heeft verzoeker het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 februari 2006, verzonden op 24 februari 2006, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 7 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2006, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 7 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 april 2006, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Crommelin en
mr. I. Guffens-Faber, ambtenaren bij het ministerie, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [directeur] zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    De beantwoording van de in onderhavige zaak voorliggende rechtsvraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verzoeker de vraag van de verwijtbaarheid van [wederpartij] terzake van de overtreding van artikel 4.4, tweede lid, van het Arbobesluit heeft beantwoord aan de hand van een voor [wederpartij] niet kenbare norm leent zich niet voor behandeling in de voorlopige voorzieningenprocedure. Die beantwoording zal plaatsvinden bij de behandeling van het geschil door de Afdeling in de bodemprocedure.
2.2.    Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat verzoeker in afwachting van de uitspraak van de Afdeling op het ingestelde hoger beroep geen nieuwe beslissing op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te nemen.
Ter zitting heeft [wederpartij] betoogd dat haar belang bij het spoedig nemen van een nieuwe beslissing op haar bezwaar is gelegen in het beëindigen van de onzekerheid over de vraag of de door verzoeker aan haar opgelegde bestuurlijke boete rechtmatig is. Dat belang kan echter - tenzij de Voorzitter aanleiding ziet met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, hetgeen hier niet het geval is - geen rol spelen in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure. Een definitief oordeel over de rechtmatigheid van de oplegging van de boete kan immers eerst door de Afdeling in de bodemprocedure uitgesproken worden. Eerst dan zal de door [wederpartij] bedoelde onzekerheid derhalve kunnen worden weggenomen.
Ter zitting is niet gebleken van andere belangen van de zijde van [wederpartij] die zich tegen eventuele inwilliging van het verzoek verzetten.
Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen het door verzoeker gestelde belang bij het niet nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar van [wederpartij] die gelet op de aangevallen uitspraak principieel zou moeten afwijken van het standpunt dat verzoeker in het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar heeft ingenomen, ziet de Voorzitter aanleiding tot het treffen van de navolgende voorziening.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak    w.g. Peute
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2006
391.