ECLI:NL:RVS:2006:AW2246

Raad van State

Datum uitspraak
19 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200505025/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 planvoorschriften bestemmingsplan Uitbreidingsplan industriegebied Amstel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunning voor hotel in watersportgebied Amsterdam bevestigd

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam weigerde op 1 juli 2003 een bouwvergunning voor een gebouw met logiesfunctie ten behoeve van een watersportbedrijf op een perceel in Amsterdam. Appellante stelde dat het hotel verband hield met de watersportbestemming, maar het college en de rechtbank oordeelden dat het hotel planologisch niet als zodanig kon worden aangemerkt.

De Raad van State overwoog dat het bestemmingsplan alleen gebouwen toestaat die verband houden met de watersportbestemming. Het hotel, hoewel gericht op watersportrecreanten, stond open voor iedereen en onderscheidde zich niet planologisch van een regulier hotel. Bovendien voorzag het bestemmingsplan elders expliciet in hotels, maar niet op dit perceel.

Daarnaast werd het bouwplan als strijdig met de stedenbouwkundige visie en het recreatieve karakter van het gebied beoordeeld. Een hotel van 60 meter hoog paste niet binnen de paviljoenachtige, open bebouwing die in de Structuurschets Korte Ouderkerkerdijk was voorgeschreven.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning voor het hotel in het watersportgebied.

Uitspraak

200505025/1.
Datum uitspraak: 19 april 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/916 van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2005 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) geweigerd aan appellante vrijstelling en een reguliere bouwvergunning te verlenen voor een gebouw met logiesfunctie ten behoeve van een watersportbedrijf, jachthaven op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).
Bij besluit van 22 januari 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 april 2005, verzonden op 3 mei 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 3 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door H.O. Dijkhuis, bijgestaan door prof. mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Braams, mr. R. van Bommel en I. Harder, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan industriegebied Amstel" bestemd voor "Bedrijven en inrichtingen ten behoeve van de watersport".
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, mogen op de gronden bestemd voor "Bedrijven en inrichtingen ten behoeve van de watersport" slechts gebouwen worden opgericht, welke verband houden met deze bestemming.
2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het bouwplan terecht in strijd met de bestemming "Bedrijven en inrichtingen ten behoeve van de watersport" heeft geacht. Volgens appellante voorziet het bouwplan in een watersporthotel dat verband houdt met die bestemming.
Dit betoog faalt. De omstandigheid dat het hotel waarin het bouwplan voorziet naar zeggen van appellante nadrukkelijk is gericht op watersportrecreanten en in verbinding staat met een op het perceel te vestigen watersportbedrijf, daargelaten wat daar verder van zij, maakt niet dat het zich in planologische zin zodanig van een regulier hotel onderscheidt dat het om die reden kan worden aangemerkt als een gebouw verband houdende met de bestemming "Bedrijven en inrichtingen ten behoeve van de watersport". Ter zitting is van de zijde van appellante erkend dat niet is beoogd beperkingen te stellen bij de exploitatie van het hotel aan onder meer de toe te laten gasten en dat het hotel voor een ieder openstaat. De rechtbank heeft voorts terecht van belang geacht dat in het bestemmingsplan met de bestemming "Openbare gebouwen of gebouwen met bijzondere bestemming met erf", anders dan in de op het perceel rustende bestemming, uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid van vestiging van hotels. Van een van rechtswege verleende bouwvergunning, zoals appellante stelt, is gelet op het voorgaande geen sprake.
2.3.    Appellante kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn weigering om voor het bouwplan vrijstelling te verlenen niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven. In de "Structuurschets Korte Ouderkerkerdijk" is aangegeven dat de strook buitendijksland een recreatieve functie zal hebben die zich richt op voorzieningen voor de watersport waarop de bebouwing een paviljoenachtige karakter moet hebben die met grote tussenruimten is geprojecteerd waardoor in een lange zichtlijn over de Amstel het hart van de stad kan worden ervaren. Een hotel met een hoogte van 60 m is daarmee in strijd. De door appellante genoemde "startnotitie Overamstel, stedenbouwkundig programma van eisen" en "Visie Overamstel" voorzien op deze locatie evenmin in grootschalige hotelbebouwing, terwijl de door haar genoemde Nota Hotelbeleid 1999-2003 niet een specifiek op deze locatie gerichte visie bevat.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Roelfsema
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006
412.