200506139/1.
Datum uitspraak: 22 maart 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1794 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 mei 2005 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Oss.
Bij brief van 16 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Ravenstein het verzoek van P&E People B.V. om in het pand aan de Loonsestraat 4 te Neerloon een kleinere groep mensen te laten wonen dan eerder het geval was, afgewezen.
Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft dit college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2003 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 oktober 2002 vernietigd.
Bij besluit van 14 mei 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) het tegen de brief van 16 april 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 mei 2005, verzonden op 1 juni 2005, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 oktober 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Gielis en mr. A. Keijzers, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Onder rechtshandeling wordt een handeling verstaan die is gericht op enig rechtsgevolg.
2.2. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende. De brief van de rechtsvoorganger van het college van 16 april 2002 behelst - voor zover hier van belang - niet meer dan de mededeling dat het pand aan de Loonsestraat 4 te Neerloon niet met een kleinere groep mensen mag worden bewoond. Het betreft een feitelijke mededeling, waardoor geen rechten, plichten, bevoegdheid of status wordt gecreëerd of teniet gedaan. Aangezien deze mededeling niet is gericht op enig rechtsgevolg, is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat de rechtbank bij inmiddels onherroepelijke uitspraak van 6 november 2003, AWB 02/3504, anders heeft geoordeeld, kan hieraan niet afdoen. De vraag of de brief van 16 april 2002 een besluit is, betreft een door de bestuursrechter ambtshalve te beoordelen aspect.
2.3. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaarschrift van appellant tegen de brief van 16 april 2002 door het college ten onrechte ontvankelijk is geacht en dat de rechtbank dit besluit om die reden niet in stand had mogen laten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, onder gegrondverklaring van het door appellant ingestelde beroep, het besluit van 14 mei 2004 vernietigen. Nu het college met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit kan nemen dan het bij hem gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, ziet de Afdeling aanleiding om op hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.
2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 mei 2005, AWB 04/1794;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 14 mei 2004;
V. verklaart het bezwaar van appellant tegen de brief van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Ravenstein van 16 april 2002 niet-ontvankelijk;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1369,86 (zegge: duizend driehonderdennegenenzestig euro en zesentachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oss aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VIII. gelast dat de gemeente Oss aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 316,00 (zegge: driehonderdzestien euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Van Driel
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006