200600506/2.
Datum uitspraak: 17 maart 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
het college van gedeputeerde staten van Drenthe,
verweerder.
Bij besluit van 26 april 2005 heeft de gemeenteraad van Tynaarlo het bestemmingsplan “Buitenplaats Meerwijk te Midlaren, gemeente Tynaarlo” vastgesteld.
Bij besluit van 22 november 2005, kenmerk 5.1/2005004588, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 16 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 16 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 maart 2006, waar verzoekers, in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door A.J. Anema, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Tynaarlo, vertegenwoordigd door B. Dijkstra en E.G. Zijlstra, beiden ambtenaar van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. E.M. Hovenier, advocaat te Almere.
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de bouw van een buitenplaats met bijbehorende voorzieningen.
2.3. Verzoekers voeren aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij zijn van mening dat het plan in strijd is met het beleid zoals neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe van 7 juli 2004 (hierna: het POP II) en dat de motivering om af te wijken van dat beleid in het bestreden besluit ontbreekt. Voorts stellen zij dat voor de buitenplaats veel bomen moeten worden gekapt, dat het plan niet voldoet aan de waterbergingseisen die volgens hen gesteld worden aan bebouwing en in dat verband dat ophoging van het plangebied afbreuk doet aan de flora en fauna ter plaatse.
2.4. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd.
2.5. Het plangebied is in zijn geheel bestemd als “Buitenplaats”. Daarbij zijn bepaalde plandelen tevens aangeduid als “poortgebouw”, “grasland”, “gracht” of “laan”.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart met de bestemming “Buitenplaats” bestemd voor wonen, met dien verstande dat van de gronden aangegeven met:
- “gracht” het gebruik en de inrichting zijn beperkt tot water met oever in de vorm van een gracht, met inbegrip van ten hoogste twee onderbrekingen ten behoeve van een toegang;
- “laan” het gebruik en de inrichting zijn beperkt tot pad met boombeplanting;
- “grasland” het gebruik en de inrichting zijn beperkt tot grasland en/of gazon.
2.6. Het POP II is aan te merken als een plan als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het plangebied is in het POP II aangeduid als Landelijk gebied, zone II. Niet in geschil is dat nieuwe, niet aan het landelijk gebied gebonden bebouwing in beginsel niet is toegestaan in het landelijke gebied.
2.6.1. Op pagina 230 van het POP II staat, voor zover van belang, het volgende vermeld.
Een buitenplaats is een voornaam huis in het landelijke gebied, vaak op een mooie plaats in het landschap, op een niet al te grote afstand van de stad. De bewoners hebben geen directe functionele binding met het landelijke gebied. Buitenplaatsen hebben dus uitsluitend een woonfunctie.
Buitenplaatsen dienen één hectare bos te bevatten. Buitenplaatsen worden gezien als een instrument in de stedelijke sfeer. Dit om te komen tot woningbouwdifferentiatie, aantrekkelijke woonomgeving en aantrekkelijke gebieden voor recreatief medegebruik. Met name gebieden waar nieuwe landschapskwaliteiten en woningbouw zijn toegestaan, komen hiervoor in aanmerking. Het betreft de stadsranden van Assen, Beilen, Roden, Hoogeveen, Meppel, Stadskanaal, Emmen en Coevorden.
2.7. Bij een buitenplaats hoort op grond van het provinciale beleid één hectare bos. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de voorziene buitenplaats geen bos aanwezig is. Verweerder heeft erkend dat het plan op dit punt in beginsel strijdig is met zijn beleid zoals neergelegd in het POP II. Hij stelt echter dat het in dit geval gaat om een reconstructie van een historische buitenplaats, die in 1942 is afgebrand. De opzet en inrichting van de historische buitenplaats worden met dit plan terug gebracht; in zoverre is sprake van een bestaande buitenplaats. Daarom kan naar zijn mening worden afgeweken van de voorwaarden die het POP II stelt aan een nieuwe buitenplaats, omdat ook het beleid ten aanzien van bestaande buitenplaatsen moet worden meegenomen
De Voorzitter is van oordeel dat verweerder onder de gegeven motivering in redelijkheid heeft kunnen afwijken van zijn beleid dat is neergelegd in het POP II.
2.7.1. De Voorzitter is voorts van oordeel dat het belang bij het verwezenlijken van de reconstructie van de buitenplaats, zwaarder weegt dan het belang bij het behoud van een aantal bomen ter plekke van de voorziene buitenplaats. Daarbij neemt hij mede in aanmerking dat geen bomen die vóór 1942 zijn geplant zullen worden gekapt.
Bovendien kan in hetgeen verzoekers in het kader van de aanwezige flora en fauna in het plangebied naar voren hebben gebracht thans onvoldoende grond worden gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Daarbij neemt de Voorzitter mede in aanmerking dat, indien noodzakelijk, de mogelijkheid bestaat om onder bepaalde voorwaarden voor beschermde dier- en plantensoorten ontheffing te verlenen. Voorshands is de Voorzitter er niet van overtuigd dat een mogelijk benodigde ontheffing op grond van de Flora- en faunawet voor de verwezenlijking van het plan niet zal kunnen worden verkregen.
2.8. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Verbeek
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2006