ECLI:NL:RVS:2006:AV6230
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- J.A.M. van Angeren
- K.J.M. Mortelmans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van weigering tot bevordering van koninklijke onderscheiding en ontvankelijkheid bezwaar
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap weigerde op 2 maart 2004 de verlening van een koninklijke onderscheiding aan appellant te bevorderen. Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, maar dit bezwaar werd door de minister niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de weigering wel een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, en dat de minister ten onrechte zijn bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad van State oordeelde dat op grond van de wetsgeschiedenis en de Awb alleen de decorandus zelf als belanghebbende wordt beschouwd bij een koninklijke onderscheiding. Omdat het verzoek tot onderscheiding in deze zaak door een vriend van appellant was gedaan, was er geen sprake van een aanvraag door een belanghebbende.
Daarom kwalificeert de weigering niet als een besluit in de zin van de Awb, en is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de minister wordt niet als een besluit in de zin van de Awb aangemerkt.