Uitspraak
200304359/1is ter plaatse geen sprake van een bestaand agrarisch bedrijf dan wel een voortzetting daarvan. De in de berging voorziene activiteiten van [wederpartij] ten tijde van de beslissing op bezwaar kunnen dan ook niet worden aangemerkt als een bedrijvigheid in de zin van de Wet milieubeheer. In de enkele stelling van appellant sub 2 dat met het oprichten van de berging moet worden uitgegaan van een nieuwe vergunningplichtige inrichting ziet de Afdeling geen aanleiding van dit oordeel af te wijken. Het betoog van appellant sub 2 treft dan ook geen doel. Nu, naar het college met juistheid heeft overwogen en anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake was van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer en reeds daarom geen vergunningplicht ingevolge die wet bestond, was het college niet gehouden de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning aan te houden. Dat laat uiteraard onverlet, dat [wederpartij] ter plaatse niet zonder vergunning op grond van de Wet milieubeheer een inrichting in de zin van die wet mag exploiteren.