ECLI:NL:RVS:2006:AV2275
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- R.E.A. Matulewicz
- Rechtspraak.nl
Weigering jachtakte wegens vrees voor misbruik op grond van eerdere Opiumwet-veroordeling
Appellant verzocht om een jachtakte voor het seizoen 2004-2005, welke door de korpschef van de politieregio Zeeland werd geweigerd. De Minister van Justitie verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond en ook de rechtbank Middelburg bevestigde deze beslissing. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De weigering is gebaseerd op artikel 39, eerste lid, aanhef en onder e, van de Flora- en faunawet, dat een jachtakte kan worden geweigerd indien er reden is om aan te nemen dat de aanvrager misbruik zal maken van de bevoegdheid tot jagen of het bezit van wapens en munitie. De minister baseerde zich op een eerdere onherroepelijke veroordeling van appellant wegens het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, een overtreding van de Opiumwet.
Appellant voerde aan dat deze veroordeling voortkwam uit het verhuren van een schuur aan derden die een hennepkwekerij hadden, en dat hij zelf geen misbruik had gemaakt van zijn jachtbevoegdheid. De Raad van State oordeelde echter dat de minister terecht vrees voor misbruik aannam, mede omdat appellant niet direct de politie had geïnformeerd na ontdekking van de kwekerij en vanwege de uitzonderingspositie van jachtaktehouders. De overige beroepsgronden bleven onbesproken en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de jachtakte bevestigd.