ECLI:NL:RVS:2006:AV1269

Raad van State

Datum uitspraak
8 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200506555/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wegenverkeerswet 1994Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 1996Regeling eisen geschiktheid 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik na psychiatrisch onderzoek

Appellant kreeg bij besluit van 12 februari 2004 het rijbewijs ongeldig verklaard door de Minister van Verkeer en Waterstaat wegens niet voldoen aan de eisen van rijgeschiktheid. Het CBR verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank Leeuwarden bevestigde dit in juni 2005. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat het CBR zich baseerde op twee onafhankelijke onderzoeken door aangewezen psychiatrische keuringsartsen, waarvan de tweede was ingesteld op verzoek van appellant. Beide keuringsartsen concludeerden dat appellant alcoholmisbruik vertoont, waarbij de eerste arts ook alcoholafhankelijkheid vaststelde volgens DSM-IV criteria en de tweede arts laboratoriumonderzoek gebruikte dat overmatig alcoholgebruik aantoonde.

De Raad van State stelde vast dat de verschillen in methodiek geen aanleiding gaven tot twijfel over de uitkomsten. Het CBR hoefde daarom geen hernieuwd onderzoek te laten instellen of het besluit beter te motiveren. Appellant had geen tegenstrijdige deskundige gegevens overgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens alcoholmisbruik.

Uitspraak

200506555/1.
Datum uitspraak: 8 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/1035 van de rechtbank Leeuwarden van 22 juni 2005 in het geding tussen:
appellant
en
de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" als rechtsopvolger van de Minister van Verkeer en Waterstaat.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2004 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat het rijbewijs van appellant met ingang van de zevende dag na dagtekening van het besluit, voor alle categorieën ongeldig verklaard.
Bij besluit van 6 augustus 2004 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 augustus 2004 heeft het CBR van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2005, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, medewerker bij de divisie vorderingen van het CBR, is verschenen. Appellant is niet ter zitting verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het CBR heeft op grond van de resultaten van twee onderzoeken ingesteld door twee aangewezen adviserend psychiaters (hierna: keuringsartsen) - van wie de tweede is aangewezen op verzoek van appellant die een herkeuring wenste - de conclusie getrokken dat appellant niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en op grond van die conclusie het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van appellant gehandhaafd.
2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het CBR op basis van de rapporten van beide keuringsartsen heeft kunnen concluderen dat appellant niet aan de eisen van rijgeschiktheid voldoet.
Appellant kan zich hiermede niet verenigen. Hij betoogt daartoe dat de rapporten zo verschillend zijn wat betreft oordeelsvorming dat bij het CBR op zijn minst twijfel hierover had moeten rijzen. Die twijfel had moeten leiden tot het instellen van een hernieuwd onderzoek of tot een betere motivering van het CBR.
2.3. Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994, de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 17 april 1996, Stcrt 1996, 81 en de Regeling eisen geschiktheid 2000 van 18 mei 2000 Stcrt 2000, 99, zoals nadien gewijzigd, verwijst de Afdeling naar de aangehechte uitspraak van de rechtbank.
2.4. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat naar haar oordeel niet is gebleken dat de twee onderzoeken van de keuringsartsen onzorgvuldig of op grond van onjuiste gegevens zijn tot stand gekomen.
2.4.1. In de omstandigheid dat de eerste keuringsarts tot zijn oordeel komt aan de hand van de criteria van de DSM-IV classificatie, terwijl de tweede keuringsarts op basis van laboratoriumonderzoek tot dezelfde conclusie komt, behoefde het CBR geen grond te vinden te twijfelen aan de uitkomsten. De resultaten zijn immers eenduidig; beide keuringsartsen hebben vastgesteld dat in appellants geval sprake is van alcoholmisbruik, terwijl de eerste keuringsarts daarnaast van oordeel is dat volgens de criteria van de DSM-IV-classificatie sprake is van alcoholafhankelijkheid en de tweede keuringsarts voorts opmerkt dat de geconstateerde verhoogde CDT-waarde duidt op actueel overmatig en regelmatig alcoholgebruik.
Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het CBR de resultaten en conclusies van beide onderzoeken aan het besluit tot handhaving van de ongeldigverklaring ten grondslag mocht leggen, mede in aanmerking genomen dat appellant tegenover die resultaten en conclusies geen andersluidende, van een deskundige afkomstige gegevens heeft overgelegd. Het betoog van appellant faalt.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena w.g. De Koning
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2006
221.