ECLI:NL:RVS:2006:AV1264

Raad van State

Datum uitspraak
8 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200508113/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet wapens en munitie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking wapens en jachtakte

Appellant had bij besluit van 18 augustus 2004 door de korpschef van regiopolitie Gelderland-Zuid zijn verloven in de zin van de Wet wapens en munitie, jachtakte en Europese wapenpas ingetrokken gekregen. De Minister van Justitie verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden bevatte.

Appellant kreeg vervolgens de gelegenheid om de gronden binnen een termijn van vier weken aan te vullen, maar deed dit niet. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en verklaarde het beroep terecht niet-ontvankelijk. Appellant stelde dat de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden had moeten aanvullen, maar dit werd verworpen omdat aanvulling alleen mogelijk is bij een ontvankelijk beroep.

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 8 februari 2006.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200508113/1.
Datum uitspraak: 8 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1741 van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2005 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft de korpschef van regiopolitie Gelderland-Zuid (hierna: de korpschef) een tweetal verloven in de zin van de Wet wapens en munitie, alsmede de jachtakte en de Europese wapenpas van appellant ingetrokken.
Bij besluit van 11 april 2005, heeft de Minister van Justitie (hierna: de Minister) het tegen het besluit van 18 augustus 2004 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 augustus 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 25 oktober 2005 heeft de Minister bericht dat hij afziet van het dienen van antwoord.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht, is verschenen. De Minister heeft zich, met kennisgeving, niet doen vertegenwoordigen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb kan het beroep onder andere niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan het in artikel 6:5 van Pro de Awb bepaalde, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2.2. Vaststaat dat het beroepschrift van appellant tegen het besluit van 11 april 2005 geen gronden bevat en dat appellant bij brief van 26 mei 2005 door de griffier van de rechtbank is uitgenodigd de gronden binnen vier weken na verzending van de brief - derhalve uiterlijk op 23 juni 2005 - in te dienen. Nu voorts vaststaat dat binnen deze termijn geen gronden zijn ontvangen, noch een verzoek tot uitstel is ingediend, kon de rechtbank appellant niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank heeft hierbij op goede gronden geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
2.3. Het betoog van appellant, dat de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden had behoren aan te vullen, faalt. Aanvulling van rechtsgronden kan pas aan de orde zijn wanneer er sprake is van een ontvankelijk beroep, hetgeen niet het geval was. Had appellant in beroep een of meer gronden willen aanvoeren die hij ook heeft aangevoerd in administratief beroep of in het kader van zijn verzoek om voorlopige voorziening, dan had hij daar ten minste expliciet naar moeten verwijzen, te meer omdat aan de rechtbank het besluit van de Minister ter toetsing voorlag en aan de voorzieningenrechter het besluit van de korpschef.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2006
97-514.