ECLI:NL:RVS:2006:AV0964
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving verbod op kamerverhuur zonder ontheffing in Laakkwartier
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft appellant gelast om de bedden-/kamerverhuur in zijn woning te beëindigen en terug te brengen in de staat van gezinsbewoning, onder dreiging van een dwangsom. Appellant had geen ontheffing voor kamerverhuur en voerde aan dat er geen sprake was van een kamerverhuurbedrijf zoals bedoeld in de leefmilieuverordening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college zich terecht baseerde op inspectierapportages waaruit bleek dat meer dan twee kamers en/of meer dan twee personen werden verhuurd, hetgeen in strijd is met de verordening.
De door appellant aangevoerde bezwaren tegen de inspectierapporten en de overgelegde foto's werden niet gegrond bevonden. De Raad stelde vast dat de aanwezigheid van vreemdelingen in de woning niet was verklaard en dat appellant geen ontheffing bezat. De handhaving door het college was daarom gerechtvaardigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.