Uitspraak
200403342/1, onder meer het volgende overwogen:
Raad van State
Appellant verzocht de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om handhavend op te treden tegen mechanische winning van wadpieren in nieuw aangewezen gebieden van het staatsnatuurmonument Waddenzee. Verweerder wees dit verzoek af omdat de vergunningen verleend op 25 november 2003 onherroepelijk zijn geworden, ondanks dat eerdere vergunningen van 24 februari 2003 later zijn herroepen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vergunningen van november 2003 zelfstandige en onaantastbare besluiten zijn, waarvoor geen toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geldt. De intrekking van eerdere vergunningen leidt niet tot het vervallen van deze latere vergunningen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat vergunninghouders buiten de toegestane gebieden opereren.
De Raad van State concludeerde dat geen grond bestaat voor handhavend optreden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen handhavend op te treden is ongegrond verklaard.