ECLI:NL:RVS:2006:AV0263
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- P. Klein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bewonersparkeervergunning wegens bereikt vergunningenplafond
Appellant had een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning in Amsterdam, die op 13 mei 2002 werd geplaatst op een wachtlijst vanwege het bereiken van het vergunningenplafond. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het college niet tijdig een beslissing op bezwaar had genomen en bepaalde dat binnen twee weken een besluit moest volgen. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het college bevoegd had moeten zijn in plaats van het dagelijks bestuur, dat het parkeerbeleid in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De Raad van State overwoog dat de bevoegdheden van het college waren overgedragen aan het dagelijks bestuur en dat de vermelding van het college in het besluit een verschrijving was. Het onderscheid in parkeerbeleid tussen stadsdelen is objectief en redelijk gerechtvaardigd vanwege feitelijke verschillen, waardoor geen strijd met het gelijkheidsbeginsel bestaat. Het vertrouwensbeginsel faalt omdat het beleid per stadsdeel verschilt en de beleidswijziging waar appellant naar verwees niet op zijn situatie van toepassing was. De motivering van de rechtbank was voldoende.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2005. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de bewonersparkeervergunning wordt bevestigd.