ECLI:NL:RVS:2006:AV0236

Raad van State

Datum uitspraak
18 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200509507/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Boll
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbVoorschrift 1.1.1 bijlage B Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuursdwang horeca-inrichting wegens geluidsoverlast

Verzoekster, de vennootschap onder firma Mad Mick VOF handelend onder de naam 'Het Vliegend Herd', maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch om bestuursdwang toe te passen wegens het in werking hebben van een horeca-inrichting in strijd met geluidvoorschriften. Verzoekster betwistte de overtreding en stelde dat het geluidsonderzoek onvoldoende overtuigend was en dat zij recentelijk maatregelen had genomen om geluidhinder te beperken.

Verweerder voerde aan dat op verschillende dagen geluidmetingen waren verricht in aanpandige woningen waaruit bleek dat de geluidnormen ruimschoots werden overschreden, mede door toepassing van een straffactor voor herkenbaar muziekgeluid. De Voorzitter oordeelde dat de overtreding voldoende was vastgesteld en dat geen aanleiding bestond om te twijfelen aan de geluidmetingen.

Verder werd overwogen dat handhaving in het algemeen noodzakelijk is bij overtreding van wettelijke voorschriften, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen die het handhaven onevenredig maken of uitzicht op legalisatie bieden. Deze omstandigheden waren niet aannemelijk gemaakt, mede omdat de recent genomen geluidmaatregelen nog niet op effectiviteit waren beoordeeld.

Daarom wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot bestuursdwang wegens overtreding van geluidvoorschriften wordt afgewezen.

Uitspraak

200509507/1.
Datum uitspraak: 18 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vennootschap onder firma "Mad Mick VOF", handelend onder de naam "Het Vliegend Herd", gevestigd te 's-Hertogenbosch,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2005 heeft verweerder de bij besluit van 14 juli 2005 aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom ingetrokken en beslist bestuursdwang toe te passen wegens het in werking hebben van horeca-inrichting "Het Vliegend Herd" op het perceel [locatie] te [plaats], in strijd met voorschrift 1.1.1 uit bijlage B bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit).
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 16 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 januari 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.W.G.M. Christophe, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Verzoekster betoogt dat verweerder ten onrechte handhavend optreedt ten aanzien van haar inrichting. Zij betwist dat door de inrichting de geldende geluidvoorschriften worden overtreden. Het door verweerder uitgevoerde geluidonderzoek acht zij onvoldoende overtuigend. Verder voert verzoekster aan dat zij recentelijk op eigen initiatief maatregelen heeft genomen om eventuele geluidhinder tegen te gaan, zoals het isoleren van het plafond en de wanden. Binnenkort vindt een akoestisch onderzoek plaats waarvan de resultaten moeten worden afgewacht alvorens tot toepassing van bestuursdwang kan worden overgegaan, aldus verzoekster.
2.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat voorschrift 1.1.1 uit bijlage B bij het op de inrichting van toepassing zijnde Besluit wordt  overtreden. Dit voorschrift bepaalt dat het equivalente geluidniveau (LAeq) in een in- of aanpandige woning gedurende de dag-, avond- en nachtperiode niet meer mag bedragen dan respectievelijk 35 dB(A), 30 dB(A) en 25 dB(A).
Op verschillende dagen in september 2005, te weten op 9, 16, 23 en in de nacht van 24 op 25 september, heeft verweerder geluidmetingen uitgevoerd in aanpandige woningen. Bij die metingen deed zich herkenbaar muziekgeluid voor, op grond waarvan verweerder een straffactor van 10 dB(A) heeft toegepast. Uitkomst van de metingen is dat de geluidnormen ruimschoots blijken te zijn overschreden.
2.3.    De Voorzitter is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat voorschrift 1.1.1 uit bijlage B bij het Besluit is overtreden. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst van de geluidmetingen. Door verzoekster is geen tegenrapportage overgelegd welke haar visie ondersteunt. Het feit dat verweerder verscheidene geluidmetingen heeft uitgevoerd binnen een tijdsbestek van een aantal dagen duidt niet op onzorgvuldigheid, zoals verzoekster aanvoert, maar veeleer op het tegenovergestelde. Het betoog van verzoekster dat zij er vanuit mocht gaan dat het in werking hebben van de geluidinstallatie niet tot overtreding van voorschrift 1.1.1 leidt, aangezien verweerder de begrenzer op de geluidinstallatie heeft geïnstalleerd en afgesteld, doet er niet aan af dat de geluidvoorschriften zijn overtreden. Verweerder is derhalve bevoegd handhavend op te treden.
2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Gelet op hetgeen door verweerder naar voren is gebracht en hetgeen door verzoekster is aangevoerd is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder behoorde af te zien van handhaving.
Voor zover verzoekster zich beroept op maatregelen die zij zeer recentelijk heeft genomen om geluidhinder te reduceren, merkt de Voorzitter op dat, wat er zijn moge van die maatregelen, het effect daarvan thans nog ongewis is. Deze maatregelen en hun effectiviteit zullen in het kader van de bezwaarprocedure onderzocht moeten worden.
2.5.    Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll    w.g. Van Gemert
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006
243-493.