ECLI:NL:RVS:2006:AU9404

Raad van State

Datum uitspraak
11 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200503342/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Boll
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 3:2 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vergunning horeca- en recreatiebedrijf wegens onvoldoende zorgvuldige besluitvorming

Het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk verleende op 13 mei 2003 een vergunning aan appellante sub 2 voor een horeca-, sport- en recreatiebedrijf. Dit besluit werd gedeeltelijk vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak op 23 juni 2004. Naar aanleiding daarvan nam het college op 22 februari 2005 een nieuw besluit over de vernietigde onderdelen, waartegen appellanten beroep instelden.

Tijdens de zitting op 5 januari 2006 erkende het college dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid was voorbereid. De Afdeling oordeelde dat het besluit in strijd was met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en het algemene rechtsbeginsel van zorgvuldigheid, mede omdat het besluit ten onrechte als tijdelijk werd aangemerkt.

De beroepen werden gegrond verklaard en het besluit volledig vernietigd. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante sub 2 en tot terugbetaling van griffierechten aan appellanten. De overige beroepsgronden werden niet behandeld.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

200503342/1.
Datum uitspraak: 11 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.    [appellanten sub 1]., allen wonend te Harderwijk,
2.    [appellante sub 2], gevestigd te Harderwijk,
en
het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2003 heeft verweerder aan appellante sub 2 een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor [horeca-, sport- en recreatiebedrijf], gelegen op het perceel [locatie] te Harderwijk, kadastraal bekend gemeente Harderwijk, sectie […], nummer […].
Bij uitspraak van 23 juni 2004, in zaak no.
200304690/1, heeft de Afdeling het besluit van 13 mei 2003 gedeeltelijk vernietigd.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder op 22 februari 2005, kenmerk 36120, een nieuw besluit genomen ten aanzien van de vernietigde onderdelen van het besluit van 13 mei 2003.
Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 27 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2005, en appellante sub 2 bij brief van 11 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, beroep ingesteld.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. van IJzendoorn en ing. R.P.C. van Drunen, ambtenaren van de gemeente, is verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.
Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.
2.2.    Ter zitting heeft verweerder onder verwijzing naar de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht aangevoerd dat appellanten geen belang meer hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit nu op korte termijn een nieuw besluit is te verwachten waarbij het besluit wordt ingetrokken. Genoemde wetsbepalingen zien evenwel niet op de onderhavige situatie waarbij enkel sprake is van een ontwerp-besluit tot intrekking van het bestreden besluit. Het betoog van verweerder faalt derhalve.
2.3.    Appellanten hebben verschillende bezwaren tegen het bestreden besluit aangevoerd. Deze bezwaren hebben voornamelijk betrekking op de onzorgvuldigheid waarmee het bestreden besluit volgens appellanten is voorbereid.
Naar aanleiding van de door appellanten ingestelde beroepen heeft verweerder bij brieven van 7 juli 2005, 11 juli 2005 en 17 oktober 2005, in samenhang gelezen, aan de Afdeling bericht dat het bestreden besluit zal worden ingetrokken. Bij brief van 20 december 2005 heeft verweerder aan appellanten het voornemen bekend gemaakt van een ontwerp-besluit, strekkende tot intrekking van het bestreden besluit. Op 5 januari 2006 is dit ontwerp-besluit ter inzage gelegd. Reden voor het intrekken is, aldus verweerder, het nieuw opgestelde akoestisch rapport van van 22 juni 2005 en het door appellanten aangevoerde bezwaar dat het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd erkend dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, maar erop gewezen dat het besluit een tijdelijk karakter heeft. Wat betreft dit laatste wijst de Afdeling erop dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte aanmerkt als "tijdelijk" aangezien uit het besluit niet blijkt dat bepaalde onderdelen ervan na bepaalde tijd vervallen.
Gelet op het vorenstaande en hetgeen overigens uit de stukken is gebleken is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dat er toe strekt dat een besluit zorgvuldig moet worden voorbereid en in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.
2.4.    De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
2.5.    Verweerder dient ten aanzien van appellante sub 2 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellanten sub 1 is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart de beroepen gegrond;
II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk van 22 februari 2005, kenmerk 36120;
III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk tot vergoeding van bij appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Harderwijk aan appellante sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV.    gelast dat de gemeente Harderwijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellanten sub 1 en € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellante sub 2 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll    w.g. Van Gemert
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006
243-492.