ECLI:NL:RVS:2006:AU9040
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op energiepremie wegens niet tijdige aanvraag na oplevering woningaanbouw
Appellant heeft in augustus 2003 een overeenkomst gesloten met een aannemer voor een woningaanbouw met energiebesparende voorzieningen. De oplevering vond plaats in februari 2004, waarna appellant op 28 februari 2004 een aanvraag voor een energiepremie indiende. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling energiepremies 2003, met name dat de aanvraag en levering vóór 16 januari 2004 moesten plaatsvinden.
Appellant stelde dat de vertraging niet aan hem toe te rekenen was, maar aan onvoorziene omstandigheden bij de aannemer. De Raad van State oordeelde dat geen harde afspraak bestond over oplevering na 16 januari 2004 en dat appellant slechts een verwachting had van oplevering eind november 2003. De vertraging viel binnen de risicosfeer van appellant en niet die van verweerder.
De Raad wees het beroep af en oordeelde dat de hardheidsclausule in de regeling alleen in uitzonderlijke gevallen geldt, wat hier niet aan de orde was. Ook werd het betoog over overschrijding van de beslistermijn verworpen omdat appellant niet in zijn belangen was geschaad. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de energiepremieaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de aanvraag niet tijdig was en de vertraging aan appellant kan worden toegerekend.