Uitspraak
200402862/1en
200402488/1. Verweerder heeft hiermee echter miskend dat het in die gevallen nieuwbouw betrof van twee woningen in dezelfde straat te Vuren. Anders dan in de daar aan de orde zijnde gevallen betreft het in dit geding verbouwing van een reeds bestaande woning in eigendom van de aanvrager om een energiepremie. In zo een geval valt de datum van aanbrengen en in werking zijn van de isolerende voorziening niet zonder meer samen met die van de oplevering van het verbouwde. Immers, anders dan in het algemeen bij nieuwbouw het geval is, is ten tijde van de verbouwing de woning van appellant al feitelijk in diens macht, zodat hij geacht moet worden de beschikking te hebben over de isolerende voorzieningen zodra die zijn aangebracht en in werking zijn. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de isolerende voorzieningen op 19 november 2003 zijn aangebracht moet het tijdstip van in werking zijn in ieder geval op of na die datum liggen. Het bestek van de architect is vóór de aanvang van de verbouwing opgemaakt zodat aan de daarin vermelde datum van geplande ingebruikname van 30 januari 2004 als zodanig minder waarde kan worden toegekend dan de datum genoemd door de aannemer die het werk uitvoerde. Ditzelfde geldt voor de brief van de architect van 28 november 2003. Verweerder kon dan ook niet volstaan met een verwijzing naar die brief of de door de aannemer genoemde datum van oplevering om tot een afwijzing te komen. Verweerder heeft verder geen onderzoek verricht naar het exacte tijdstip waarop de isolerende voorzieningen in werking waren gesteld, hoewel daartoe aanleiding bestond, gelet op de datum van de aanvraag, de daarin gedane mededelingen en de tijdens de hoorzitting van 16 september 2004 door appellant gedane mededeling dat direct na het aanbrengen van de voorzieningen veel is gestookt om het vocht uit de woning te krijgen, waarmee de voorzieningen toen al hun isolerende nut hebben gehad. De beslissing op bezwaar berust dan ook niet op een deugdelijke motivering.