ECLI:NL:RVS:2005:AU8738
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep inzake illegale terreinverharding zonder aanlegvergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland legde appellante sub 2 een last onder dwangsom op om illegale terreinverhardingen en zeecontainers op een perceel te verwijderen omdat hiervoor geen aanlegvergunning was verleend en deze niet kon worden verleend vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante sub 2 gegrond omdat het college onvoldoende had onderzocht of de verharding op grond van overgangsrecht mocht blijven bestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt deze uitspraak en oordeelt dat het overgangsrecht niet van toepassing is omdat het uitsluitend geldt voor gebruiksvormen die niet onder het aanlegvergunningstelsel vallen.
De Afdeling bevestigt dat zowel het oude als het huidige bestemmingsplan een aanlegvergunning vereisen voor de verharding, die niet is aangevraagd of verleend. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden. Verder is het college niet onredelijk in haar weigering tot legalisatie over te gaan en is er geen aanleiding om af te zien van handhaving. Het beroep van appellante sub 2 wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante sub 2 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd.