ECLI:NL:RVS:2005:AU7595

Raad van State

Datum uitspraak
7 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200503852/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • W.M. Haverkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die op 12 april 2005 het beroep van de appellant ongegrond verklaarde. De appellant had op 28 januari 2004 een verzoek ingediend bij het bureau van de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, welke aanvraag werd afgewezen. De Raad voor Rechtsbijstand verklaarde op 14 juni 2004 het daartegen door de appellant ingestelde beroep eveneens ongegrond. De appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het rechtsbelang van de procedure nauw samenhangt met zijn bedrijfsmatige activiteiten, terwijl hij stelde dat zijn agentuuractiviteiten al waren beëindigd. De rechtbank had geoordeeld dat het verzoek van de appellant om rechtsbijstand niet kon worden ingewilligd op basis van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), omdat het rechtsbelang dat aan de aanvraag ten grondslag lag, verband hield met de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak op 8 november 2005 behandeld, waarbij de appellant niet verscheen, maar de Raad voor Rechtsbijstand wel. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het verzoek om rechtsbijstand niet kon worden toegewezen, omdat het rechtsbelang van de appellant samenhing met zijn beroepsmatige activiteiten. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 7 december 2005.

Uitspraak

200503852/1.
Datum uitspraak: 7 december 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3279 WRB van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2005 in het geding tussen:
appellant
en
de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2004 heeft het bureau van de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 14 juni 2004 heeft de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 8 juni 2005 heeft de raad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2005, waar appellant met bericht en de raad zonder bericht niet zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand.
2.2.    Het verzoek van appellant heeft betrekking op de terugvordering op grond van onverschuldigde betaling van naar zijn mening teveel betaalde advocaatkosten dan wel griffierechten in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 25 juli 1997 van de president van de rechtbank Haarlem.
2.3.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad heeft kunnen stellen dat het rechtsbelang van de in geding zijnde procedure nauw samenhangt met de uitoefening door appellant van zijn bedrijfsmatige activiteiten. Hij stelt dat ten tijd van de aan de orde zijnde procedure zijn agentuuractiviteiten reeds waren beëindigd. Voorts heeft hij aangevoerd dat de vermogensgrens niet wordt overschreden.
2.4.    Bij beschikking van 31 oktober 1996 heeft de kantonrechter te Haarlem de agentuurovereenkomst tussen appellant en de toenmalige [vergunninghouder] ontbonden en daarbij onder meer bepaald dat [vergunninghouder] appellant ontslaat van zijn verplichtingen uit het concurrentiebeding. Bij uitspraak van 25 juli 1997 heeft de president van de rechtbank Haarlem geoordeeld dat door het handelen van appellant [vergunninghouder] niet langer gebonden is aan de voorwaarden voor de beëindiging van de agentuurovereenkomst. Laatstgenoemde procedure is die met betrekking waartoe naar het oordeel van appellant diens advocaat te veel kosten in rekening zou hebben gebracht. Gezien de samenhang tussen die procedure en die waarvoor het verzoek om toevoeging is afgewezen, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat dit verzoek een rechtsbelang betreft dat nauw samenhangt met de beroepsmatige activiteiten van appellant als zelfstandige. De omstandigheid dat de agentuurovereenkomst inmiddels was ontbonden kan daaraan niet afdoen. Gesteld noch gebleken is dat het reeds betaalde bedrag het voortbestaan van het bedrijf van appellant in ernstige problemen heeft gebracht. De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb aan verlening van de door appellant gevraagde toevoeging in de weg stond. Gelet hierop heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat zij niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of het vermogen van appellant de toegestane vermogensgrens overschrijdt.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk    w.g. Haverkamp
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005
290.