Uitspraak
200101662/1; BR 2002, blz. 873) is de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 100, derde lid, van de Woningwet bij uitstek gericht op onmiddellijke stillegging van de desbetreffende bouwwerkzaamheden. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank in het aangevoerde dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college, lettend op de stand van werkzaamheden op het moment dat deze werden stilgelegd, niet in redelijkheid van de bevoegdheid daartoe gebruik heeft kunnen maken.