Uitspraak
200201630/1(JB 2002/327), moet het bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in vermeld artikel 1:2, derde lid, van de Awb gaan om een aan de statutaire doelstellingen ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij het belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van bovenindividuele belangen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellante gestelde belangen niet zijn aan te merken als belangen in vorenbedoelde zin. De belangen die in het geding zijn bij het verzoek van appellante om handhaving zijn veeleer aan te merken als individuele belangen die de leden van appellante, althans een deel daarvan, gemeen hebben. Derhalve wordt niet voldaan aan artikel 1:2, derde lid, van de Awb en is daarom geen sprake van een rechtstreeks betrokken belang, als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. In het betoog van appellante dat zij in een voorgaande procedure wel als belanghebbende is aangemerkt, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat de ontvankelijkheid een door de bestuursrechter ambtshalve te beoordelen aspect betreft.