ECLI:NL:RVS:2005:AU3363

Raad van State

Datum uitspraak
28 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200501217/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Vlasblom
  • P.M.M. de Leeuw-Van Zanten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2a WvgArt. 8 WvgArt. 10-24 WvgArt. 26 WvgArt. 27 Wvg
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit voorkeursrecht gemeente Alkmaar op perceel sectie B nummer 4770

Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar heeft de raad een voorstel gedaan om een perceel, kadastraal bekend gemeente Alkmaar, sectie B, nummer 4770, aan te wijzen als grond waarop de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) van toepassing is. De raad heeft dit besluit genomen voor een maximale duur van twee jaar. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de raad ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Alkmaar, welke het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant stelde in hoger beroep dat de Wvg bedoeld is om voorkennis bij prijsbepaling te voorkomen en dat hij financieel benadeeld zou zijn door het voorkeursrecht. De Raad van State oordeelde dat de onderhandelingen voorafgaand aan het voorkeursrecht losstaan van de vestiging ervan en dat artikel 16 Wvg Pro waarborgen biedt voor een reële prijsbepaling. Bovendien is appellant niet gedwongen tot verkoop en is de uitoefening van het voorkeursrecht niet aan de orde.

Verder wees de Raad van State het beroep op het gelijkheidsbeginsel af omdat appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor ongelijke behandeling. Ook het betoog dat de rechter te terughoudend heeft getoetst werd verworpen, aangezien de vestiging van het voorkeursrecht een discretionaire bevoegdheid betreft die terughoudend getoetst moet worden.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200501217/1.
Datum uitspraak: 28 september 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. BESLU 04/1090 van de rechtbank Alkmaar van 20 december 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de raad van de gemeente Alkmaar.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar aan de raad van de gemeente Alkmaar (hierna: de raad) een voorstel gedaan om (onder meer) het perceel, kadastraal bekend gemeente Alkmaar, sectie B, nummer 4770 aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.
Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft de raad op grond van de artikelen 2a en 8 van de Wvg (onder meer) voornoemd perceel voor de maximale duur van twee jaar aangewezen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.
Bij besluit van 15 april 2004 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 december 2004, verzonden op 28 december 2004, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 1 april 2005 heeft de raad van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2005, waar appellant in persoon en de raad, vertegenwoordigd door R. van Gelder, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wvg kan de verkoper, indien burgemeester en wethouders en de verkoper, nadat gehandeld is overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 12-15, in onderhandeling zijn getreden over de verkoop, aan burgemeester en wethouders de wens te kennen geven, dat over de prijs advies zal worden uitgebracht door deskundigen, te benoemen door de rechter. Binnen twee weken na de ontvangst van het desbetreffende schriftelijke verzoek van de verkoper, verzoeken burgemeester en wethouders de rechtbank van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen, een of meer deskundigen te benoemen, ten einde het bedoelde advies uit te brengen.
2.2.    Appellant betoogt dat de Wvg ertoe strekt te voorkomen dat prijzen op basis van voorkennis worden bepaald en dat hij heeft geprobeerd inzicht te verschaffen in de door hem veronderstelde voorkennis van HBG Vastgoed BV (thans: BAM Vastgoed B.V.).
Dit betoog van appellant faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat onderhandelingen tussen appellant en HBG Vastgoed BV over de verkoop van zijn perceel voorafgaand aan vestiging van het voorkeursrecht losstaan van de daadwerkelijke vestiging van dat voorkeursrecht.
2.3.    Voorzover appellant stelt dat hem geen reële prijs is geboden voor zijn perceel en hij derhalve financieel is benadeeld door vestiging van het voorkeursrecht, wordt overwogen dat artikel 16, eerste lid, van de Wvg waarborgen biedt om tot een reële prijsbepaling te komen in geval van verkoop van appellants eigendom. Voorts heeft de rechtbank terecht benadrukt dat het voorkeursrecht niet met zich brengt dat appellant gedwongen is zijn perceel te verkopen en dat uitoefening van het voorkeursrecht, alsmede vaststelling van een koopprijs, thans niet aan de orde is.
2.4.    Voorts brengt appellant naar voren dat de rechtbank ten onrechte slechts terughoudend heeft getoetst.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2003 in zaak no.
200203398/1, betreft de vestiging van een voorkeursrecht een discretionaire bevoegdheid die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Het betoog faalt.
2.5.    Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen. De stelling van appellant dat sprake is van ongelijke behandeling, omdat op percelen van andere projectontwikkelaars geen voorkeursrecht is gevestigd, is niet nader onderbouwd. Deze enkele stelling kan niet leiden tot de conclusie dat het besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-Van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom    w.g. De Leeuw-Van Zanten
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2005
97-440.