Uitspraak
200203398/1, betreft de vestiging van een voorkeursrecht een discretionaire bevoegdheid die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Het betoog faalt.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar heeft de raad een voorstel gedaan om een perceel, kadastraal bekend gemeente Alkmaar, sectie B, nummer 4770, aan te wijzen als grond waarop de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) van toepassing is. De raad heeft dit besluit genomen voor een maximale duur van twee jaar. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de raad ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Alkmaar, welke het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde in hoger beroep dat de Wvg bedoeld is om voorkennis bij prijsbepaling te voorkomen en dat hij financieel benadeeld zou zijn door het voorkeursrecht. De Raad van State oordeelde dat de onderhandelingen voorafgaand aan het voorkeursrecht losstaan van de vestiging ervan en dat artikel 16 Wvg Pro waarborgen biedt voor een reële prijsbepaling. Bovendien is appellant niet gedwongen tot verkoop en is de uitoefening van het voorkeursrecht niet aan de orde.
Verder wees de Raad van State het beroep op het gelijkheidsbeginsel af omdat appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor ongelijke behandeling. Ook het betoog dat de rechter te terughoudend heeft getoetst werd verworpen, aangezien de vestiging van het voorkeursrecht een discretionaire bevoegdheid betreft die terughoudend getoetst moet worden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.