Uitspraak
200410130/1, ook heeft mogen sluiten. Gelet op het uit appellants herhaalde afwezigheid voortvloeiende gebrek aan toezicht is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat appellant ernstige nalatigheid kan worden verweten, als bedoeld in artikel 3.2, achtste lid, van de APV.