ECLI:NL:RVS:2005:AU2624
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- Ch.W. Mouton
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Weigering tijdelijke vergunning veehouderij wegens onvoldoende afstand tot stankgevoelig object
Verweerder heeft aan appellant een tijdelijke vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een agrarisch bedrijf en veehouderij met vleesstieren op een perceel te een plaats. De weigering was gebaseerd op artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden.
Appellant stelde dat de aanvraag beoordeeld had moeten worden op basis van de regelgeving van het moment van indiening (1999) en dat verweerder ten onrechte de maatwerkbenadering uit de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 niet had toegepast. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de toetsing terecht plaatsvond aan de Wet stankemissie die in 2003 in werking trad, omdat het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied ligt met een bekend reconstructieplan.
Het dichtstbijgelegen stankgevoelig object is een woning die als categorie I-object geldt. De aangevraagde veestapel komt overeen met 58,9 mestvarkeneenheden, waarvoor volgens de wettelijke berekeningsmethode een minimale afstand van 100 meter vereist is. De feitelijke afstand tot het dichtstbijgelegen emissiepunt van de stal bedraagt circa 14 meter, waarmee niet aan de afstandseisen wordt voldaan.
Daarom is de vergunning terecht geweigerd. Het beroep van appellant is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de tijdelijke vergunning voor de veehouderij is ongegrond verklaard.