ECLI:NL:RVS:2005:AU1417
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. Oosting
- M.W.L. Simons-Vinckx
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunning lozing afvalwater in 3e Petroleumhaven Rotterdam
Odfjell Terminals (Rotterdam) B.V. stelde beroep in tegen een vergunning verleend door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat voor het lozen van afvalwater in de 3e Petroleumhaven te Rotterdam. De vergunning was gebaseerd op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en bevatte voorschriften omtrent het bepalen van waterbezwaarlijkheid en saneringsinspanningen volgens de Algemene beoordelingsmethodiek (ABM).
Appellante betoogde dat de ABM-toets onnodig was omdat bestaande stoffenlijsten en zuiveringstechnieken voldoende inzicht bieden. Tevens verzette zij zich tegen administratieve verplichtingen zoals het bijhouden van een AOIC-registratie en het opstellen van een AV-beleid voor afvalwaterstromen van derden zoals Vopak en PID.
De Raad van State oordeelde dat de ABM de meest recente en passende methode is om waterbezwaarlijkheid te beoordelen en dat de administratieve verplichtingen noodzakelijk zijn voor adequate controle en bescherming van het oppervlaktewater. De beroepsgronden werden verworpen en het beroep werd ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van het bestuursorgaan binnen de kaders van milieuwetgeving en de noodzaak van gedegen milieutechnische en administratieve maatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor lozing afvalwater is ongegrond verklaard.