ECLI:NL:RVS:2005:AU1392
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- C.H.M. van Altena
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking ontheffing beschoeiing en brug
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft in 2001 de ontheffing uit 1973 voor het hebben van een beschoeiing en een brug aan een perceel ingetrokken. Appellant, die inmiddels zelf een ontheffing bezit, stelde beroep in tegen deze intrekking. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen procesbelang meer zou hebben.
Appellant voerde aan dat hij wel procesbelang heeft, onder meer omdat het college bestuursdwang zou kunnen toepassen en omdat de aan hem verleende ontheffing ongunstigere voorwaarden bevat dan die van zijn rechtsvoorganger. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze argumenten niet slagen. De ontheffing is persoonsgebonden en de aan appellant verleende ontheffing is aangepast aan de feitelijke situatie.
Daarnaast werd het beroep niet ontvankelijk verklaard omdat appellant geen vergoeding van proceskosten heeft gevraagd tijdens de bezwaarprocedure. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of matiging van het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt bevestigd.