ECLI:NL:RVS:2005:AU0147
Raad van State
- Hoger beroep
- E.M.H. Hirsch Ballin
- C.H.M. van Altena
- S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing intrekking bouwvergunning seizoensverblijven te Boekelo
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Enschede om intrekking van een bouwvergunning voor elf seizoensverblijven te Boekelo. Het college wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van appellant ongegrond en veroordeelde hem in de proceskosten van het college.
Appellant stelde in hoger beroep onder meer dat de rechtbank ten onrechte niet had ingegaan op zijn wrakingsverzoek, dat de toepassing van artikel 4:6 Awb Pro onjuist was, en dat het advies van de commissie voor bezwaar en beroep niet volgens de wettelijke voorschriften tot stand was gekomen. De Afdeling oordeelde dat appellant geen wrakingsverzoek had gedaan en dat het verzoek buiten behandeling bleef. De Afdeling bevestigde dat het college terecht het verzoek tot intrekking had afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Verder stelde de Afdeling vast dat de rechtbank ten onrechte appellant in de proceskosten had veroordeeld, omdat er geen sprake was van misbruik van procesrecht. De Afdeling vernietigde daarom dat deel van de uitspraak en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten die appellant had gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Ook werd het griffierecht aan appellant terugbetaald. De rest van de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de proceskostenveroordeling van appellant wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.