ECLI:NL:RVS:2005:AU0095
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- C.H.M. van Altena
- G.J. van Muijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over beëindiging subsidie Zeemanswelzijn en rechtsgevolgen
De minister van Verkeer en Waterstaat stelde op 5 november 2002 de Tijdelijke subsidieregeling Zeemanswelzijn Nederland (TsZN) vast en besloot bij besluit van 17 december 2002 de subsidie aan appellante per 1 januari 2005 te beëindigen. Appellante stelde bezwaar en beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur bezwaar gegrond, maar verklaarde het beroep tegen de subsidiebeëindiging ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het ILO-verdrag betreffende het welzijn van zeevarenden directe verdragsverplichtingen voor Nederland oplegt en dat de beëindiging van de subsidie in strijd is met het vertrouwen dat is gewekt. De Raad van State oordeelde dat Nederland het ILO-verdrag niet heeft bekrachtigd en dat er daarom geen directe verdragsverplichtingen zijn. Ook is geen sprake van een schending van artikel 18 van Pro het Verdrag van Wenen.
Verder overwoog de Raad dat het vertrouwen dat appellante ontleende aan de langdurige subsidiering geen aanspraak op voortzetting schept, mede omdat een termijn van meer dan twee jaar in acht is genomen. De minister had bovendien tijdig duidelijk gemaakt dat de centrale overheid de verantwoordelijkheid voor het zeemanswelzijn wilde overdragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.