ECLI:NL:RVS:2005:AT9687

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200505331/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
  • J. Verbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 NatuurbeschermingswetArt. 19 NatuurbeschermingswetArt. 6 lid 3 HabitatrichtlijnArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing opschortende werking bezwaar tegen vergunning mosselen in Oosterschelde

Op 7 april 2005 verleende de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een vergunning aan verzoekster voor het uitzaaien en weer opvissen van mosselen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks". De vergunning was geldig tot en met 31 december 2005.

De Stichting De Faunabescherming maakte bezwaar tegen deze vergunning omdat zij meende dat geen passende beoordeling was gemaakt zoals vereist door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Verzoekster vroeg vervolgens op 16 juni 2005 bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om de werking van de vergunning te behouden.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet de werking van het besluit tot verlenen van een vergunning is opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of beroep is beslist. Echter, de Voorzitter verwees naar een eerdere uitspraak waarin de opschortende werking van ingediende bezwaarschriften tegen soortgelijke vergunningen was opgeheven.

Gezien de omstandigheden en het verhandelde ter zitting zag de Voorzitter geen reden om hiervan af te wijken en besloot de opschortende werking van het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2005 op te heffen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De opschortende werking van het bezwaar tegen de vergunning is opgeheven.

Uitspraak

200505331/1.
Datum uitspraak: 15 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
in het geding tussen:
de stichting "Stichting De Faunabescherming", gevestigd te Amstelveen,
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 7 april 2005, kenmerk DRZZ 05-2613/GV/DvR, heeft verweerder op grond van artikel 12 van Pro de Natuurbeschermingswet aan verzoekster een vergunning onder voorwaarden verleend voor het uitzaaien en weer opvissen van mosselen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks". De vergunning is geldig tot en met 31 december 2005.
Tegen dit besluit heeft de Stichting De Faunabescherming bij brief van 12 mei 2005, bij verweerder ingekomen op 13 mei 2005, bezwaar gemaakt.
Bij brief van 16 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juli 2005, waar verzoekster vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent, advocaat te Middelburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.
Voorts is Stichting De Faunabescherming, vertegenwoordigd door H. Baptist, gemachtigde, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is de werking van het besluit tot verlenen van een vergunning voor het verrichten van handelingen in een staats- of beschermd natuurmonument opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Zoals de Voorzitter in onder meer zijn uitspraak van 16 april 2002, inzake 200201913/1, heeft overwogen is de opschortende werking van artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet eveneens op de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift en op het indienen van een bezwaarschrift van toepassing.
2.2.    Verzoekster beoogt met haar verzoek de inwerkingtreding van de vergunning die haar bij besluit van 7 april 2005 is verleend. Zij betoogt dat zij bedrijfseconomisch belang heeft bij het kunnen (blijven) uitzaaien en weer opvissen van uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland afkomstige mosselen op haar percelen in het staats- en/of beschermd natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks".
2.3.    De Stichting De Faunabescherming heeft bezwaar tegen de verleende vergunning. Zij is van mening dat verweerder ten onrechte geen passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn heeft gemaakt.
2.4.    De Voorzitter overweegt dat bij uitspraak van 21 april 2005, inzake
200502282/1e.v. de opschortende werking van ingediende bezwaarschriften tegen soortgelijke vergunningen is opgeheven. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is verwoord.
2.5.    Gelet op het vorenstaande komt het verzoek voor inwilliging in aanmerking.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
treft de voorlopige voorziening dat de opschortende werking van het ingediende bezwaar tegen het besluit van 7 april 2005, kenmerk DRZZ 05-2613/GV/DvR wordt opgeheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel    w.g. Verbeek
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2005
388.