ECLI:NL:RVS:2005:AT9621

Raad van State

Datum uitspraak
11 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200501960/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
  • E.J. Nolles
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebiedenRegeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen goedkeuring wijzigingsplan Uitbreiding Veilig Oord wegens stankhinder

Het college van burgemeester en wethouders van Bladel stelde op 2 november 2004 het wijzigingsplan 'Uitbreiding Veilig Oord' vast, dat door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 18 januari 2005 werd goedgekeurd. Verzoekster, exploitant van een melkrundvee- en fokzeugenbedrijf, stelde dat het plan onaanvaardbaar was omdat vier woningen binnen de stankcirkel van haar bedrijf zouden worden gebouwd, wat haar bedrijfsvoering zou beperken.

De Voorzitter overwoog dat de werkingssfeer van de Wet stankemissie veehouderijen beperkt is tot gebieden met een bekendgemaakt reconstructieplan, dat ten tijde van het besluit nog niet was vastgesteld, maar wel in een vergevorderd stadium verkeerde. Verweerder had de stankcirkel op 100 meter gesteld, terwijl na bekendmaking 145 meter geldt. Er was geen onderzoek gedaan naar de feitelijke milieuhinder op de betreffende gronden.

Gezien het ontbreken van voldoende onderzoek achtte de Voorzitter het niet uitgesloten dat de goedkeuring van het wijzigingsplan in de bodemprocedure niet stand zal houden. Daarom werd het besluit geschorst om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoekster.

Uitkomst: Het besluit tot goedkeuring van het wijzigingsplan wordt geschorst en verweerder wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

200501960/2.
Datum uitspraak: 11 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1.    Procesverloop
Het college van burgemeester en wethouders van Bladel heeft bij besluit van 2 november 2004 het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Uitbreiding Veilig Oord" vastgesteld.
Bij besluit van 18 januari 2005, kenmerk 1051408, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2005, beroep ingesteld.
Bij brief van 3 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juni 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [maat A] en [maat B], en bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, medewerker van DAS rechtsbijstand, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Bladel, vertegenwoordigd door C.E.J.M. van Hintum, ambtenaar van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bouwers met Visie B.V.", vertegenwoordigd door ing. J. van Loon en ing. A.J. de Jager.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Verzoekster stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend. Zij voert hiertoe aan dat ingevolge het plan vier woningen binnen de stankcirkel van haar melkrundvee- en fokzeugenbedrijf kunnen worden gebouwd. Zij acht dit gelet op de nieuwe stankwetgeving vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar. Bovendien zal zij daardoor in haar bedrijfsvoering worden beperkt. Verzoekster wenst een voorlopige voorziening om te voorkomen dat door het in werking treden van dit plan bouwvergunningen kunnen worden verleend voor bedoelde woningen en daarmee een onomkeerbare situatie zal ontstaan.
2.3.    Verweerder heeft bij het bestreden besluit geen aanleiding gezien goedkeuring aan het plan te onthouden en heeft het plan goedgekeurd.
Hij acht van belang dat voor het plangebied ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen reconstructieplan was bekendgemaakt, zodat de omvang van de stankcirkel op grond van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) 100 meter is.
2.4.    Op 1 mei 2003 zijn de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet) en de daarbij behorende Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden in werking getreden. Ingevolge artikel 2 van Pro deze Wet is de werkingssfeer van de Wet beperkt tot reconstructiegebieden waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt.
De voorbereiding van het reconstructieplan dat betrekking heeft op het plangebied bevond zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in een vergevorderd stadium, maar het reconstructieplan was nog niet bekendgemaakt.
Niet in geschil is dat na bekendmaking van dat reconstructieplan voor het bedrijf van verzoekster een stankcirkel van 145 meter geldt. Artikel 4.3. van de voorschriften van het bestemmingsplan "Uitbreiding Veilig Oord" geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid de - voor de in geding zijnde gronden geldende - bestemming "Agrarische doeleinden" geheel of gedeeltelijk te wijzigen in de bestemmingen "Woonbos" en "Verkeer en verblijf", onder meer indien er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen.
2.4.1.    De Voorzitter betwijfelt of de enkele omstandigheid dat ten tijde van het vaststellingsbesluit en het besluit omtrent goedkeuring nog geen reconstructieplan was bekendgemaakt, voldoende grond biedt voor de conclusie dat voor de bouwmogelijkheid van woningen op grotere afstand dan 100 meter van het bedrijf geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan. Verweerder heeft het enkele vermoeden daaromtrent ontleend aan de ten tijde van het vaststellingsbesluit en het besluit omtrent goedkeuring geldende milieuregelgeving. Hij heeft echter geen rekening gehouden met de op handen zijnde bekendmaking van het reconstructieplan voor het gebied, dat - volgens mededeling van verweerder ter zitting - inmiddels is vastgesteld en wellicht van rechtswege is goedgekeurd, waardoor dat vermoeden zou wijzigen. De feitelijke milieuhinder vanwege het agrarische bedrijf van verzoekster op de in geding zijnde gronden, heeft verweerder niet onderzocht. Dit klemt te meer nu in het bestemmingsplan "Uitbreiding Veilig Oord" ervan is uitgegaan dat binnen 145 meter van het bedrijf sprake is van onaanvaardbare milieuhinder en ook bij de recent verleende milieuvergunning van die afstand is uitgegaan.
2.4.2.    Gelet op het vorenstaande acht de Voorzitter niet op voorhand aannemelijk dat ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Derhalve acht hij niet uitgesloten dat de goedkeuring van het wijzigingsplan in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. In afwachting van de uitspraak van de bodemprocedure dienen onomkeerbare ontwikkelingen te worden voorkomen. Derhalve ziet hij aanleiding het bestreden besluit te schorsen.
2.5.     Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 januari 2005, kenmerk 1051408;
II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel    w.g. Nolles
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2005
291-425.