ECLI:NL:RVS:2005:AT9277

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200409474/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 WRO
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen vervallen voorbereidingsbesluit met aanlegvergunningstelsel

De gemeenteraad van Mook en Middelaar heeft op 27 februari 2003 een voorbereidingsbesluit genomen voor diverse percelen aan de Lierweg te Molenhoek, inclusief een aanlegvergunningstelsel. Dit besluit is vervallen omdat niet binnen een jaar na inwerkingtreding een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Appellanten hebben tegen het voorbereidingsbesluit bezwaar gemaakt dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Roermond het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden door het voorbereidingsbesluit. Er is geen bewijs van waardevermindering van de percelen en geen concreet verkoopvoornemen. Ook de gestelde aansprakelijkheid jegens gebruikers van de percelen is onvoldoende concreet en speculatief.

Daarom is het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voorbereidingsbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

200409474/1.
Datum uitspraak: 13 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/379 BSTPL K1 van de rechtbank Roermond van 13 oktober 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
de raad van de gemeente Mook en Middelaar.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2003 heeft de raad van de gemeente Mook en Middelaar (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen voor onder meer de percelen 2741, 5950, 5951, 3386, 3378, 4433 en 6076 (gedeeltelijk) gelegen aan de Lierweg te Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar (hierna: de percelen). Tevens heeft de gemeenteraad in dit besluit voor genoemde percelen een aanlegvergunningstelsel opgenomen.
Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de gemeenteraad, voor zover hier van belang, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 18 januari 2005 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door A.W. Peters-Sengers, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid. Ingevolge het vierde lid vervalt een besluit als bedoeld in het eerste lid, indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan een ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.
2.1.1.    Vast staat dat het voorbereidingsbesluit is vervallen, omdat niet binnen één jaar na 28 februari 2003, de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit, een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd.
2.2.    Appellanten betogen, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte hun beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het vervallen van procesbelang. Appellanten betogen daartoe dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt schade te hebben geleden ten gevolge van het voorbereidingsbesluit, zodat zij belang hebben bij een oordeel over de rechtmatigheid daarvan.
2.3.    Het betoog van appellanten faalt. Geoordeeld moet worden dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de percelen in waarde zijn gedaald in de periode dat het voorbereidingsbesluit met aanlegvergunningstelsel gold. Daarbij wordt mede betekenis toegekend aan de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat zij het voornemen hebben gehad om de percelen te (gaan) verkopen. Voorzover appellanten stellen dat zij niet kunnen voldoen aan de verplichting jegens de gebruiker van de percelen en daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld, overweegt de Afdeling dat deze gestelde schade onvoldoende concreet is dan wel speculatief van aard om een belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit aan te nemen.
De Afdeling is derhalve met de rechtbank van oordeel dat appellanten niet tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten gevolge van het voorbereidingsbesluit schade hebben geleden en dat het beroep derhalve wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.
w.g. Zwart    w.g. Van Roosmalen
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005
53-430.