ECLI:NL:RVS:2005:AT7487

Raad van State

Datum uitspraak
9 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200504213/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W. Konijnenbelt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbVerordening 259/93/EEG
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake overbrenging afvalstoffen naar Duitsland

Verzoekster wilde 5.000.000 kg gemengde restfractie, afkomstig van de sortering van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en stedelijk afval, overbrengen naar Duitsland. Verweerder maakte bezwaar op grond van de Europese Verordening 259/93/EEG betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen de Europese Gemeenschap.

Verzoekster diende vervolgens een verzoek in bij de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen tegen het bezwaar. Tijdens de zitting op 9 juni 2005 bleek dat verzoekster voldoende opslagcapaciteit had om de afvalstoffen tijdelijk op te slaan in afwachting van de beslissing op bezwaar.

De Voorzitter nam ook in aanmerking dat verweerder had toegezegd binnen twee weken op het bezwaar te zullen beslissen. Gezien deze omstandigheden oordeelde de Voorzitter dat er geen spoedeisend belang was om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

200504213/1.
Datum uitspraak: 9 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2005, kenmerk NL 111215, heeft verweerder op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om 5.000.000 kg gemengde restfractie afkomstig van de sortering van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en stedelijk afval over te brengen naar Duitsland.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 12 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juni 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. L. Hartogs, advocaat te Doetinchem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J. Achterberg, ambtenaar van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en drs. P. Robben en mr. M. Kaersenhout, gemachtigden, zijn verschenen.
De Voorzitter heeft het verzoek afgewezen.
Daartoe heeft hij het volgende overwogen.
Ter zitting is gebleken dat in de inrichting van verzoekster nog voldoende opslagcapaciteit aanwezig is om de op het kennisgevingsformulier NL 111215 vermelde afvalstoffen in afwachting van de beslissing op bezwaar op te slaan. Gelet hierop en nu verweerder ter zitting heeft toegezegd zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 2 weken, op het bezwaar te zullen beslissen, is de Voorzitter van oordeel dat met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening geen spoedeisend belang is gemoeid.
Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt   w.g. Montagne
Voorzitter    ambtenaar van Staat
374.