Uitspraak
200105119/1maakt een weiland deel uit van een inrichting indien het weiland niet extensief gebruikt wordt.
Raad van State
Bij besluit van 21 september 2004 verleende het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem een vergunning aan een vergunninghouder voor het oprichten en in werking hebben van een paardenhouderij op een perceel te Gulpen-Wittem. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden dat de vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen geluid- en stankhinder, dat de aanvraag onvolledig was vanwege de omvang van de inrichting en dat de afstand tot hun woning te kort was.
De Raad van State oordeelde dat de door appellanten aangevoerde bezwaren over geluidhinder te laat in de procedure waren ingebracht en daarom niet ontvankelijk waren. De weilanden, extensief gebruikt voor begrazing, behoren niet tot de inrichting en mochten buiten beschouwing blijven. De vergunninghouder hield daarnaast een beperkt aantal runderen, wat geen reden gaf tot weigering van de vergunning.
Verder werd geoordeeld dat de afstand van meer dan 50 meter tussen de inrichting en de woningen van appellanten voldoende is om onaanvaardbare stankhinder te voorkomen, en dat een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk was gezien de aard en omvang van de activiteiten. Bezwaren over niet-vergunde activiteiten en locatie van de buitenbak hadden geen betrekking op de rechtmatigheid van de vergunning. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor de paardenhouderij wordt ongegrond verklaard.