Uitspraak
200304128/1kunnen de in de Richtlijn genoemde omrekeningsfactoren worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten.
Raad van State
Verweerder heeft op 17 september 2004 deels een vergunning verleend en deels geweigerd voor het veranderen van een schapenhouderij annex akkerbouwbedrijf, waarbij de uitbreiding van het aantal schapen van 27 naar 50 werd geweigerd. Appellant stelde dat verweerder niet op zijn bedenkingen tegen het ontwerpbesluit had gereageerd, maar de Afdeling stelde vast dat verweerder zijn overwegingen conform artikel 3:27 Awb Pro had vermeld.
De weigering is gebaseerd op artikel 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer, die bepalen dat een vergunning slechts in het belang van milieubescherming kan worden geweigerd of onder beperkingen verleend. Verweerder heeft beoordelingsvrijheid, maar moet zich baseren op de meest recente milieutechnische inzichten. De Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet zijn hierbij leidend.
Appellant voerde aan dat de omrekeningsfactoren en de afstandsbepaling onjuist waren toegepast en dat er sprake zou zijn van een ventilatiesysteem met centrale afzuiging, wat de afstandscriteria zou beïnvloeden. Verweerder stelde dat de stal traditioneel is met natuurlijke ventilatie en dat de afstand tussen emissiepunt en dichtstbijzijnde woning 35,5 meter bedraagt, onvoldoende om onaanvaardbare stankhinder te voorkomen.
De Afdeling stelde vast dat de aanvraag niet was gewijzigd en dat verweerder terecht is uitgegaan van natuurlijke ventilatie en de afstandscriteria uit de Richtlijn. Gezien de afstand van 35,5 meter waar minimaal 50 meter vereist is, mocht verweerder de uitbreiding van 23 schapen weigeren. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning voor uitbreiding van de schapenhouderij wordt ongegrond verklaard.