ECLI:NL:RVS:2005:AT7397
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Th.G. Drupsteen
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen vergunning lozing afvalwater vanwege tekortschietende bemonsteringsmogelijkheden
Verzoekster kreeg op 1 februari 2005 van het waterschap Brabantse Delta een vergunning voor het lozen van afvalwater en regenwater via gemeentelijke riolering en oppervlaktewater, geldig voor tien jaar. Verzoekster stelde dat de capaciteit van de gemeentelijke riolering onvoldoende was voor betrouwbare bemonstering en analyse van afvalwater, zoals vereist in vergunningvoorschrift 7.1.
De Voorzitter oordeelde dat het waterschap niet voldoende feitenkennis had vergaard over de technische mogelijkheden om representatieve monsterneming te waarborgen, zoals het plaatsen van terugslagkleppen. Daarom werd het voorschrift 7.1 bij voorlopige voorziening geschorst. Ook werd geschorst het voorschrift dat betrekking had op controlevoorziening D, omdat het waterschap niet had onderzocht of verzoekster bereid was toegang te verlenen tot een alternatieve controlevoorziening.
Andere bezwaren van verzoekster, zoals over de grenswaarden voor onopgeloste bestanddelen en het onderzoeksvoorstel, werden afgewezen. Het waterschap werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan door de Voorzitter op 6 juni 2005 en heeft een voorlopig karakter zonder bindende werking in de bodemprocedure.
Uitkomst: Het besluit wordt bij voorlopige voorziening geschorst voor voorschrift 7.1 en voorschriften over controlevoorziening D, met toekenning van proceskosten aan verzoekster.