ECLI:NL:RVS:2005:AT6955
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Weigering verklaring van geen bezwaar voor verbouwing bedrijfsruimte tot woning in buitengebied
Appellant had zijn agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd en wilde een resterende bedrijfsruimte verbouwen tot woning op een perceel in het buitengebied. Het college van gedeputeerde staten weigerde de gevraagde verklaring van geen bezwaar op grond van het streekplan "Noord-Brabant 2002" en de daarin opgenomen Ruimte voor Ruimte-regeling, die beperkingen stelt aan woningbouw in het buitengebied.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde dat de provinciale regeling strijdig was met de rijksregeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV), maar dit werd verworpen omdat het provinciale beleid kaderstellend en verantwoord was binnen het ruimtelijk beleid.
De Raad van State oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het college onredelijk had gehandeld. De woningbouw voldeed niet aan de voorwaarden van de Ruimte voor Ruimte-regeling, zoals ligging binnen bebouwde kom of kernrandzone, en er was al sanering van bedrijfsgebouwen via subsidie gerealiseerd. De belangenafweging door het college was zorgvuldig en rechtvaardigde de weigering.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verklaring van geen bezwaar bevestigd.