Uitspraak
200100171/1, onderzocht of er aanleiding was tot het uitbreiden van het schadegebied. Die vraag is door de Staatssecretaris ontkennend beantwoord en het bezwaar is ongegrond verklaard. Hieraan is - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Om als schadegebied te kunnen worden aangemerkt dient sprake te zijn van een natuurverschijnsel met een uitzonderlijk karakter. Dat is het geval indien in het betrokken gebied minimaal 75 mm regen binnen 24 uur is gevallen. Omdat daarvan in de provincie Groningen geen sprake was maar het overtollige water uit de door de extreem zware regenval getroffen gebieden in Drenthe samen met het in de provincie Groningen gevallen regenwater wel via de provincie Groningen is afgevoerd en daardoor wateroverlast is ontstaan, is voor de provincie Groningen de eis van het uitzonderlijke karakter van het natuurverschijnsel nader ingevuld. In die provincie vallen onder het schadegebied:
200301323/1heeft de Afdeling overwogen dat het peilgebied Den Deel, dat door het gemaal is gescheiden van het overige deel van de Electraboezem, niet als polder maar als boezem moet worden aangemerkt. Aangezien het thans hetzelfde gebied betreft, staat vast dat het gaat om een boezem. Dit wordt door partijen ook niet betwist. Appellante heeft ter zitting echter gemotiveerd betoogd dat, anders dan de Minister heeft gesteld, het onderscheid polder of boezem bij de gebiedsaanwijzing niet, althans niet consequent, is gehanteerd. Zij heeft erop gewezen dat meerdere boezemgebieden in de provincie Groningen in 1998 al als WTS2-gebied zijn aangewezen. Teneinde hierover meer duidelijkheid te krijgen, heeft de Afdeling bij brief van 2 september 2004 het onderzoek heropend.