Uitspraak
200305483/1, terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat artikel 17, zesde lid, van de WRO dwingend is geformuleerd. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat appellante wist - en overigens ook behoorde te weten - dat na ommekomst van de haar gegunde termijn het gebruik van de units gestaakt moest worden en tot verwijdering daarvan moest worden overgegaan. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat appellante bij brief van 3 mei 2001 aan het college de garantie heeft gegeven dat in oktober 2003, derhalve vóór het verstrijken van de instandhoudingstermijn, een alternatieve locatie voor de groepen kinderen aan de Kouterstraat voorhanden zou zijn. Dat die garantie op verzoek van het college is gegeven, betekent niet dat daaraan geen waarde kan worden gehecht. De omstandigheid dat op de locaties die in die brief zijn aangeduid inmiddels, vanwege de aanhoudende vraag naar kinderopvang, andere groepen kinderen zijn gevestigd dan de groepen die in de units aan de Kouterstraat zijn ondergebracht, maakt dat niet anders. Daaraan liggen wellicht op zichzelf verdedigbare keuzes van appellante ten grondslag, waarvan de gevolgen evenwel voor haar risico komen, nu die keuzes gemaakt zijn op een moment, dat zij wist, dat zij na ommekomst van de vijfjarentermijn van de Kouterstraat moest vertrekken. Ook ten aanzien van andere mogelijke locaties, zoals in het project Helder Camaraschool, geldt, dat het feit, dat deze niet, of althans thans niet, voor appellante beschikbaar zijn, voor haar risico komt. Het betoog dat de termijn die aan de last is verbonden gelet op de omstandigheden van dit geval geen redelijke termijn betreft, kan, gelet op het voorgaande, dan ook niet slagen. Daarbij komt dat het college eerst ruimschoots na het verstrijken van de instandhoudingstermijn heeft besloten daadwerkelijk tot handhavend optreden over te gaan, zodat ook daarom niet kan worden staande gehouden dat appellante niet een redelijke termijn is gegund de illegale situatie te beëindigen. Het betoog dat appellante gelet op de sinds 29 oktober 2003 verstreken termijn erop heeft mogen vertrouwen dat niet handhavend zou worden opgetreden slaagt evenmin. Het college heeft appellante er bij brief van 25 september 2003 op gewezen dat de instandhoudingstermijn op 29 oktober 2003 zou verstrijken. Bij brief van 21 november 2003 is appellante voorts medegedeeld dat het voornemen bij het college bestond haar te sommeren de illegale situatie te beëindigen. Dat het college eerst bij brief van 24 maart 2004 afwijzend heeft gereageerd op het verzoek van appellante van 28 augustus 2001 om het kinderdagverblijf permanent aan de Kouterstraat te vestigen, maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat het college in overleg met appellante in de zomer van 2004 nog de mogelijkheid heeft onderzocht het gebruik van de units voor kinderopvang ter plaatse te gedogen, kan daar niet aan afdoen. Aan het feit, dat het college tegenover appellante enige coulance heeft betracht, kan immers niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat de situatie ter plaatse ook daadwerkelijk zou worden gedoogd of uitdrukkelijk zou worden toegestaan.