Uitspraak
200101662/1(AB 2003, 66).
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Deventer legde op 11 maart 2002 een last op aan appellant om de bouwwerkzaamheden op een perceel te staken, omdat deze zonder de vereiste bouwvergunning werden uitgevoerd. Bij besluit van 2 mei 2002 werd een dwangsom verbonden aan deze last, die op 26 april 2002 zou verbeuren.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, waarbij het college het primaire besluit deels herzag door de ingangsdatum van de dwangsom te verplaatsen naar 8 mei 2002. De rechtbank Zwolle-Lelystad verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat het college bevoegd was tot handhavend optreden op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, omdat appellant zonder vergunning bouwde en de bouwstop niet naleefde. Het feit dat later alsnog een vergunning werd verleend, doet hieraan niet af, aangezien de last gericht was op onmiddellijke stillegging van de werkzaamheden.
Verder verwierp de Raad van State het betoog van appellant dat de dwangsom met terugwerkende kracht was vastgesteld en dat het ontbreken van controles tussen 25 april en 16 mei 2002 het opleggen van de dwangsom in de weg stond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit met de aangepaste ingangsdatum gehandhaafd kon worden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom met ingang van 8 mei 2002.