Uitspraak
200100632/1- het provinciale geurbeleid van verweerder aanvaardbaar geacht. Ten aanzien van hetgeen tegen dit beleid is aangevoerd, overweegt de Afdeling dat de NeR niet uitsluit dat een relatie wordt gelegd tussen de aard van de geur en de geurnormering. In de brief van de Minister van 30 juni 1995 wordt er op gewezen dat niet voor iedere soort geur eenzelfde concentratie, uitgedrukt in ge/m3, als bovengrens kan gelden vanwege de zeer uiteenlopende hinderlijkheid van diverse soorten geur. Dit houdt, anders dan appellante kennelijk meent, niet in dat er geen relatie is te leggen tussen de aard van de geur en de geurnormering. Verder kan de mate van geurhinder volgens de NeR ook op andere manieren dan door een belevingsonderzoek worden vastgesteld. Hetgeen is aangevoerd, geeft de Afdeling dan ook geen aanleiding om thans anders te oordelen over dit beleid. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval geen toepassing had mogen geven aan het provinciale geurbeleid. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.