ECLI:NL:RVS:2005:AT4235
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Boll
- J.G.C. Wiebenga
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Handhaving last onder dwangsom wegens niet-afgedekt mestbassin in strijd met vergunningvoorschriften
Bij besluit van 24 mei 2004 legde het college van burgemeester en wethouders van Someren aan appellant een last onder dwangsom op wegens het niet afdekken van een mestbassin, in strijd met vergunningvoorschriften B.3.1.11 tot en met B.3.1.16 van de revisievergunning van 1995. De dwangsom bedroeg €4.500 per dag met een maximum van €67.500 en een begunstigingstermijn van vier weken.
Appellant voerde aan dat het mestbassin onder de werkingssfeer van het Besluit mestbassins milieubeheer viel en dat het bassin op korte termijn zou worden verwijderd. Verder stelde appellant dat geen stankhinder werd veroorzaakt en dat hij de vergunning wilde naleven. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het bassin vóór 1 juni 1987 was gebouwd en dus niet onder het Besluit viel. Ook was er geen concreet uitzicht op verwijdering of legalisatie, mede omdat een aanvraag voor een mestdrogingsinstallatie op een andere locatie geen betrekking had op het indrogen van mest.
De Afdeling stelde vast dat de overtreding bestond en dat verweerder terecht handhavend optrad. Er was geen reden om af te zien van het opleggen van de last onder dwangsom, omdat het algemeen belang bij handhaving zwaarder woog dan de belangen van appellant. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens niet-afgedekt mestbassin wordt ongegrond verklaard.