ECLI:NL:RVS:2005:AT3759

Raad van State

Datum uitspraak
13 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200407511/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • F.P. Zwart
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 bestemmingsplan De PoldersArt. 24 bestemmingsplan De Polders
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhavingsbesluit tegen strijdig gebruik agrarisch perceel in bestemmingsplan De Polders

Het college van burgemeester en wethouders van Hillegom legde appellant een last onder dwangsom op om het restaureren, onderhouden en stallen van auto's en het opslaan van niet-agrarische materialen op een perceel in strijd met het bestemmingsplan De Polders te staken. Appellant voerde aan dat het gebruik op grond van overgangsbepalingen mocht worden voortgezet en dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college bevoegd is handhavend op te treden, ook al bestond er een eerdere brief waarin het college het gebruik niet expliciet verbood. Er is geen sprake van een recht op voortgezet gebruik op grond van de overgangsbepalingen.

Verder is geoordeeld dat het college redelijkerwijs mocht aannemen dat legalisatie niet mogelijk is en dat het handhavend optreden niet onevenredig is. Ook het betoog van appellant over toezeggingen van een wethouder wordt verworpen. De begunstigingstermijn is voldoende en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het handhavingsbesluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200407511/1.
Datum uitspraak: 13 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Hillegom.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2003, verzonden op 14 augustus 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Hillegom (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 1 november 2003 het met het bestemmingsplan "De Polders" strijdige restaureren, onderhouden en stallen van auto’s en het opslaan van materialen in de opstallen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie], kadastraal bekend onder […], nummer […] (hierna: het perceel), te staken. Bij besluit van 9 oktober 2003 is dit besluit gewijzigd in de zin dat onder het te staken gebruik moet worden verstaan: het restaureren, onderhouden en stallen van auto’s en het opslaan van materialen die niet ten dienste staan van agrarisch gebruik, in de opstallen op het perceel, en dat appellant als eigenaar is aangeschreven dit gebruik te doen staken.
Bij besluit van 6 februari 2004 heeft het college het tegen beide besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 juli 2004, verzonden op 27 juli 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 29 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2005, waar appellant, vertegenwoordig door mr. J.C. van Nie, advocaat te Almelo, en het college, vertegenwoordigd door H.P. van de Ven en A.J. Arnold Bik, ambtenaren van de gemeente Hillegom, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van het geldende bestemmingsplan 'De Polders" is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken dan wel te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming. Niet in geschil is dat appellant het perceel laat  gebruiken in strijd met de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (ALN)".
2.2.    Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "De Polders" mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop dit rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.
Ingevolge artikel 24, derde lid, van de planvoorschriften is het bepaalde in lid 1 niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende bestemmingsplan daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen opgetreden kon worden danwel nog kan worden opgetreden.
2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het in geding zijnde gebruik op grond van de overgangsbepaling van het bestemmingsplan "De Polders" mag worden voortgezet. Hij voert daartoe aan dat het college tegen het in geding zijnde gebruik niet kon optreden, zodat dit gebruik ingevolge artikel 24, derde lid, van de planvoorschriften, niet kan worden uitgezonderd van de werking van het bepaalde in artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften.
2.4.    Niet in geding is dat appellant het perceel liet gebruiken in strijd met de bepalingen van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1979". Bij brief van 10 maart 1997, ten tijde van de gelding van voornoemd bestemmingsplan, is namens het college door het Hoofd van de afdeling Milieu, in het kader van een controle op naleving van milieuvoorschriften, aan appellant het volgende medegedeeld: "Het gebruik van de loodsen, door u verhuurd, is beperkt op grond van het bestemmingsplan van het gebied waarin ze gelegen zijn. Alleen bedrijven met een agrarische bestemming kunnen daar activiteiten ontplooien. Wanneer het niet om een bedrijf gaat, dan zijn er geen bezwaren op grond van de ruimtelijke ordening.".
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de inhoud van deze brief niet kon afdoen aan de formele bevoegdheid van het college om in geval van overtreding van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1979" daartegen handhavend op te treden. Voor de stelling van appellant dat artikel 24, derde lid, van de planvoorschriften zo moet worden gelezen, dat beoordeeld dient te worden of redelijkerwijs gebruik kon worden gemaakt van deze bevoegdheid, bestaat geen grond.
Uit het voorgaande volgt dat appellant heeft gehandeld in strijd met artikel 23, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Polders", zodat het college terzake handhavend kan optreden.
2.5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.6.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat legalisatie van het in geding zijnde gebruik niet tot de mogelijkheden behoort. Daarbij is terecht in aanmerking genomen dat dit gebruik niet past in een agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden.
2.7.    De rechtbank heeft voorts op goede gronden geoordeeld dat appellant aan de brief van 10 maart 1997 niet het blijvende vertrouwen kan ontlenen dat van de bevoegdheid handhavend op te treden geen gebruik zal worden gemaakt. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat er na de brief zes jaren zijn verstreken alvorens het college besloot handhavend op te treden, en dat het appellant op basis van schriftelijke mededelingen van het college reeds geruime tijd duidelijk moet zijn geweest dat niet zou worden berust in het strijdige gebruik.
Ook het betoog van appellant over door een wethouder gedane toezeggingen heeft de rechtbank op goede gronden verworpen.
2.8.    Het college heeft de rechtbank bij brief van 26 maart 2004 bericht dat het aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende advies van de Commissie bezwaarschriften een onjuistheid bevat en meegedeeld dat een nader aangeduide alinea van het advies dient te luiden als weergegeven in de brief. Vastgesteld wordt dat de voorgestelde wijziging van ondergeschikte betekenis is en dat geen grond bestaat te oordelen dat het college het advies van 22 januari 2004 niet aan de beslissing op bezwaar ten grondslag mocht leggen.
2.9.    Tot slot betoogt appellant dat de begunstigingstermijn te kort is. Daargelaten dat deze grond voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd, treft deze geen doel. Daarbij is van belang dat van de zijde van het college ter zitting is verklaard dat appellant aan de last heeft voldaan als hij binnen de begunstigingstermijn de overeenkomst met de huurder opzegt. Vastgesteld wordt dat daaraan binnen de gegeven begunstigingstermijn kan worden voldaan.
2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk    w.g. Lodder
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005
17-381.