ECLI:NL:RVS:2005:AT3740
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- C.H.M. van Altena
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit over definitieve vaststelling premie Arbeidsplaatsenpremieregeling Flevoland 1998
Het college van gedeputeerde staten van Flevoland heeft bij besluit van 10 juli 2002 de premie van appellant krachtens de Arbeidsplaatsenpremieregeling Flevoland 1998 (APR 1998) definitief vastgesteld. Appellant, het college van burgemeester en wethouders van Lelystad, maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 17 december 2002 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Zwolle verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de termijn waarbinnen uitgaven voor de APR 1998 moeten zijn gedaan om in aanmerking te komen voor Europese subsidie, zoals vastgelegd in artikel 8 van Pro de goedkeuringsbeschikking van de Europese Commissie. Deze termijn is vastgesteld op uiterlijk 31 december 2001, met aanvullende bepalingen in de APR 1998 die onder meer voorschrijven dat aanvragen voor definitieve vaststelling vóór 1 oktober 2001 moeten worden ingediend.
De Raad van State oordeelt dat appellant als uitvoerder van de regeling primair verantwoordelijk is voor de uitvoering en de financiële risico's van terugvorderingen en nabetalingen draagt. Het college heeft in redelijkheid gehandeld door de eindafrekening vast te stellen conform de vastgestelde termijnen en voorwaarden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 13 april 2005.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.